Johann Peter Friedrich Hauck

Wilma van Giersbergen:

J.P.F. Hauck [1723-1794]

De Baselse Hauck werkt vooral in de buurt van Heilbronn

Johann Peter Friedrich Hauck wordt wel de ‘Baselse’ Hauck genoemd, omdat hij tussen 1752 en 1760 in Basel werkte. Uit die periode zijn enkele portretten van zijn hand bekend van raadsheren en kooplieden. Daartoe behoort het portret van de fabrikant Jeremias Wildt-Socin, op dat moment een van de rijkste inwoners van de stad. (Bijlage Catalogus portretten) Hoewel Johann Peter Friedrich in Basel dus enige portretten op zijn naam had staan, werd de stad toch niet de definitieve woonplaats. Dat werd Heilbronn (in het huidige Baden-Württemberg), waar hij vanaf 1757 geregistreerd staat als burger. Het meeste werk vervaardigde Hauck echter niet in Heilbronn, maar aan het hof van het nabijgelegen Hohenlohe-Öhringen. Hohenlohe werd, met uitzondering van Öhringen, in 1757 tot ‘Reichsfürstentum’ verheven. Ongetwijfeld is het niet toevallig dat Hauck zich juist toen in Heilbronn vestigde. Hij zag er kans om een vaste aanstelling aan het hof te krijgen. Het vorstendom Hohenlohe-Öhringen was van 1708 tot 1765 in handen van Johann Friedrich II (1683-1764). Die werd opgevolgd door Ludwig Friedrich Carl (1723-1805). Hauck zal dus beide vorsten als opdrachtgever hebben gehad. Hauck moet voor het hof veel portretten hebben geschilderd.

In trek als kopiist

Johann Peter Friedrich Hauck was behalve portrettist ook een goede kopiist van geschilderde portretten. Blijkbaar had hij daarin een zodanige reputatie opgebouwd dat zelfs vanuit Londen zijn hulp werd ingeroepen. De uit Mörlach (bij Neurenberg) afkomstige miniatuurportrettist Christoph Adam Carl (Carl) von Imhoff (1734-1788), die sinds juni 1767 in Londen woonde, had tot zijn grote vreugde opdracht gekregen de Engelse koningin Sophia Charlotte van Mecklenburg-Strelitz (1744-1818) te portretteren. Van een dergelijke opdracht hing veel af en een negatief oordeel over het resultaat kon de reputatie van een kunstenaar behoorlijk schaden. Von Imhoff worstelde vooral met de keuze van de juiste pose. Een houding die hem zeer geschikt leek, kende hij van het portret van Charlotte Sophie von Wacks-Pflug (1743-1805), die zich, naar hij wist, omstreeks 1766 in haar woonplaats Heilbronn had laten portretteren. Von Imhoff wilde van het portret graag een kopie en schreef daarvoor op 25 januari 1768 zijn broer Friedrich Wilhelm, die als ‘Oberforstmeister’ werkzaam was op Hohenlohe-Öhringen. Hij vroeg hem of hij Hauck – die hij Hauff noemde – wilde benaderen om het portret te kopiëren. Er van uitgaande dat Charlotte Sophie van Wacks zou instemmen, stuurde hij alvast wat aanwijzingen voor Hauck mee, waaraan hij zich had te houden. Hauck moest kleding, handen en achtergrond kopiëren, en indien mogelijk, eveneens hoofd en kapsel. Daarbij moest hij het coloriet ‘genau in acht nehmen, es so gut wie immer möglich kopieren und recht ausarbeiten […].’ Mocht Hauck daarin slagen dan kon hij ‘fordern, was er haben will, welches ich ihm mit Vergnügen geben will.’ Er was nogal haast bij, want Von Imhoff wilde het portret van de koningin in april exposeren en hij zou zeker zes weken nodig hebben om het te schilderen. Daarom zette hij zijn broer behoorlijk onder druk: ‘Bestelle es aber geschwind und schreibe mir dan gleich.’ Aangezien Von Imhoff op 10 februari nog steeds geen portret had ontvangen, werd hij ongeduldig. Verdere correspondentie ontbreekt, maar alles kwam op tijd in orde. Het portret van de koningin werd in Londen op 28 april 1768 geëxposeerd in de Society of Artists, met in de catalogus de vermelding ‘Imhoff, Miniature Painter, Portrait of Her Majesty, in miniature, painted from life’. Uit het feit dat Von Imhoff in de brief aan zijn broer schrijft over ‘dem Maler aus Heilbron [sic], Hauff, wie ich glaube’ kan men afleiden dat hij Hauck als persoon niet goede kende. Wel moet hij op de hoogte zijn geweest van de kwaliteit van diens werk, waardoor hij een kopie van zijn hand als basis wilde gebruiken voor deze voor hem zo belangrijke opdracht.

Het portret van Charlotte Sophie von Wacks, waarover Von Imhoff spreekt, is niet getraceerd. Wel bevindt zich in de Städtische Museen Heilbronn een portret van haar, gedateerd 1771 en vermoedelijk door Hauck naar het leven geschilderd. Charlotte Sophie was de tweede echtgenote van Gottlob Moriz Christian von Wacks (1720-1807) met wie zij in 1762 was gehuwd. Von Wacks was Hauck niet onbekend. In het genoemde museum bevinden zich twee door Hauck geschilderde portretten van hem, gedateerd 1761 en 1771. Von Wacks was in 1770 tweede burgemeester van Heilbronn geworden als opvolger van zijn in 1769 overleden voorganger Georg Heinrich Orth (1698-1769). Ook die familie behoorde tot de opdrachtgevers van Hauck. In 1761 had hij Johann Rudolf Schlegel (1729-1790) geportretteerd, de echtgenoot van Sophia Dorothea Orth (1734-1805), een dochter van de burgemeester. In 1779 ontving Hauck van de familie Orth de opdracht om maar liefst negentien kopieën in pastel naar bestaande portretten van diverse familieleden te maken. De kern daarvan vormen de zeven kinderen van de burgemeester met hun partners. Vermoedelijk was de jongste zoon, ‘Feintuchfabrikant’ Günther Julian / Julius Friedrich Orth, de opdrachtgever van de serie. Hij verhuisde na zijn huwelijk in 1779 naar Montjoie (Monschau), zo’n 300 kilometer van Heilbronn, en hij zou de kopieën besteld kunnen hebben als herinnering aan zijn familie. Het identieke formaat van de pastels — 28,5 x 20,5 cm — wijst daarop. Bovendien lijken ze in dezelfde periode te zijn gemaakt. De pastels zijn vervaardigd op blauw handgeschept papier, terwijl de originele schilderijen een groene achtergrond hebben. Mocht Günther Julian Friedrich Orth de opdrachtgever zijn geweest, dan kan de blauwe kleur zijn wens zijn geweest, omdat hij in zijn ‘Rode Huis’ een blauwe salon had, waar ook een portret hangt van zijn vrouw in blauwe kleding.

Opmerkelijk genoeg zijn er na 1779 van de hand van Hauck — ‘welcher soviel vor Öhringen gemalt hat‘ — geen portretten meer bekend. Evenmin weten we tot wanneer hij aan het hof verbonden bleef.

Friedrich Ludwig Hauck

FL Hauck [1718 – 1801]

De portretschilder Friedrich Ludwig Hauck maakte in zijn jonge jaren enkele studiereizen naar Engeland en Duitsland. In 1744 keerde hij terug, maar hij vestigde zich niet in Mannheim, waar zijn vader woonde, maar in Frankfurt am Main. Misschien waren er daar betere mogelijkheden of wilde hij niet concurreren met zijn vader.

Friedrich Ludwig Hauck werkte als portretschilder behalve in Frankfurt, ook in Rothenburg ob der Tauber (Beieren) en aan de hoven van Hessen-Kassel, Hessen-Homburg, Erbach-Fürstenau en Nassau-Usingen.

Vanaf de jaren zeventig tot in de jaren negentig was Friedrich Ludwig, samen met zijn zoon, actief in het oosten en het noorden van Nederland. Waarschijnlijk heeft Hauck senior zich in die vroege jaren zeventig eerst georiënteerd op de provincies Gelderland en Overijssel, want er zijn enkele portretschilderijen van Nijmeegse en Zwolse burgers bekend.

In Friesland, waar vader en zoon vanaf 1773 werkten, verwierven zij de meeste opdrachten. Vele aanzienlijken namen plaats voor hun ezel. Toen de Haucks in de jaren negentig hun werkterrein uitbreidden en zichzelf bij het Groningse stadsbestuur aanbevalen, lieten zij dat voorafgaan met de mededeling dat zij ‘in verscheiden steeden in dezer republyk het portrait schilderen tot veel genoegen van veele [hadden] geëxerceerd.’

Op dit moment zijn er ruim vijftig portretschilderijen bekend van Nederlandse adel, patriciërs en burgers, die de signatuur dragen van Friedrich Ludwig Hauck of van F.L. Hauck & zoon, of die aan hen worden toegeschreven.

Johan Jacob Hauck

J.J. Hauck [ca. 1694 – ca. 1769]

Johan Jacob Hauck – roepnaam Jacob – begon zijn loopbaan als kerkschilder omstreeks 1714 in Homburg vor der Höhe, de residentie van de landgraven van Hessen-Homburg. Aldaar kreeg hij in een aantal Lutherse kerken opdracht de ‘Emporen’ – de balustraden van de balkons op de bovengalerij – van religieuze afbeeldingen te voorzien. Zulke ‘Emporenbilder’ hadden onder andere ten doel een visuele toegang te bieden tot bijvoorbeeld de preek en het evangelie.

In 1718 kreeg hij bijvoorbeeld opdracht om voor de Lutherse St. Nicolai kerk in Altenstadt, niet ver van Homburg, 29 ‘Emporenbilder’, een altaarstuk en drie plafondschilderingen te vervaardigen. De ‘Emporenbilder’ in deze kerk verbeelden scènes uit het oude en nieuwe Testament.

Uit de doopakte van zijn dochter Johanna Elisabetha blijkt dat Jacob Hauck in 1727 hofschilder was geworden. Dat was het hof van Friedrich III Jakob (1673-1746), landgraaf van Hessen-Homburg. Zijn eerste bekende activiteit als hofschilder dateert van 1729, toen hij opdracht kreeg de landgraaf te portretteren. Op welke wijze Hauck de sprong van kerkschilder naar hofschilder kon maken, is niet bekend.

Tussen 1739 en 1742 vertrok Hauck met zijn gezin naar Mannheim, de hoofdstad van de Pfalz, een vorstendom aan de Rijn. In die stad kreeg Jacob Hauck in 1751 van de Hugenotendominee Pierre Romagnac opdracht om diens echtgenote Françoise Maria Barbe te portretteren. Aannemelijk is dat Romagnac tevreden was met dit portret en daarom Hauck drie jaar later een nieuwe opdracht gaf: het vervaardigen van vijftig ‘Reformatorenbilder’ – portretten van protestantse theologen – voor de Hugenotengemeenschap in Mannheim.

Ergens rond 1758 vertrekt Jacob Hauck uit Mannheim en duikt hij in de omgeving van Keulen op. Ook brengt hij enige tijd in Nederland door. Vermoedelijk verbleef hij al in 1758 korte tijd in ’s-Hertogenbosch en in 1769 staat hij ingeschreven bij het schilderscollege van Sint Lucas in Utrecht.