Genootschappelijk Museum in Rotterdam: een grandioze mislukking

Genootschappelijk Museum in Rotterdam: een grandioze mislukking – Wilma van Giersbergen 2021

Rotterdam bezat in de eerste helft van de negentiende eeuw geen stedelijke kunst- of oudhedencollecties, zoals veel andere steden wel hadden. Aangezien er behoefte was aan een openbare kunstcollectie werd het initiatief genomen door het Schilderkunstig Genootschap ‘Hierdoor tot Hooger en Arti Sacrum’. Dat was in 1837 tot stand gekomen als samensmelting van het Teekengenootschap ‘Hierdoor tot Hooger’ met de in 1830 afgesplitste Schilderkunstige Vereeniging ‘Arti Sacrum’.[1] Oude vetes tussen de beide partijen bleken een rol te spelen bij de vorming van het zogeheten Genootschappelijk Museum en vanaf het begin was het Museum een twistappel tussen verschillende partijen. Hoe prijzenswaardig het initiatief ook was, uiteindelijk bleek de ‘op handen zijnde daarstelling van een genootschappelijk museum’ op niets uit te lopen.[2]

Het idee tot oprichting van een Genootschappelijk Museum kwam van L.F. Temminck, secretaris van het Teekengenootschap, die samen met de voorzitter Jan van Harderwijk een plan opstelde. Vervolgens stuurden ze verzoeken voor financiële bijdragen naar het stadsbestuur, de koning, de prins van Oranje, prins Frederik, de provinciale gouverneur, en de ministers van Financiën en Binnenlandse zaken. Aangezien al deze pogingen op niets uitliepen, besloot het Genootschap tot een interne inschrijving, waarop de genootschapsleden voor een financiële bijdrage konden intekenen. Die bracht ruimt 705 gulden op, naast nog 515 gulden aan giften. Maar niet alle leden hadden zich aan de intekening wilden verbinden. Toen het idee geopperd werd een loterij aan het Museum te koppelen ten behoeve van de aankoop van schilderijen, leidde dit tot onenigheid tussen enerzijds het bestuur en sommige leden – lees: degenen die niet financieel hadden bijgedragen, – en anderzijds de intekenaren. Degenen die zich niet als deelnemer hadden ingeschreven, vonden dat de aankopen genootschappelijk bezit waren en dat de aankoop ervan behandeld diende te worden in de ledenvergadering.[3] De intekenaren daarentegen beschouwden zichzelf als gezamenlijke donateurs en zij vonden dat zij het recht hadden over het gebruik van de door hen bijeengebrachte financiën. Zij voelden zich gerechtigd om schilderijen aan te kopen – en ze na aankoop aan het Genootschap ten geschenke te geven – en achtten het uitgesloten dat de overige leden datzelfde recht zouden hebben. Om dat alles uit te voeren, riepen de intekenaren een aparte, vijfkoppige ‘Commissie voor den aankoop van schilderijen in het Genootschappelijk Museum’ in het leven, bestaande uit de kunstverzamelaars Hendrik Rochussen, Pieter van der Dussen van Beeftingh, Edward Levien Jacobson, Gerard Duuring en Ary Lamme. Dit besluit, hoe rechtmatig ook, bevorderde uiteraard niet de onderlinge eensgezindheid.[4]

Het eerste resultaat van de Commissie was de aankoop van het schilderij Winter van Andreas Schelfhout in 1839.[5] Nadat het jaar 1840 bij het Genootschap met een batig saldo werd afgesloten – het batige saldo werd jaarlijks belegd ten behoeve van een reservefonds voor onvoorziene uitgaven – werd door sommige leden voorgesteld om de gelden niet te beleggen, maar daarvoor schilderijen voor het Genootschappelijk Museum aan te kopen. Het voorstel werd door de leden verworpen.[6]

Met het batig saldo van 467,50 dat de Tentoonstelling van Levende Meesters in 1840 had opgeleverd, deed de Commissie een nieuwe aankoop: het schilderstuk Muizenvallerverkoper van Cornelis Kruseman dat ‘uit naam der deelnemers ten geschenke’ werd aangeboden aan het Genootschap. En in 1841 kon het schilderij Woelend water van Johannes Christiaan Schotel aan de collectie worden toegevoegd.[7] De aankopen leverden opnieuw meningsverschillen op. Er waren grote sommen geld mee gemoeid geweest en sommige leden hadden het meer verantwoord gevonden als die besteed hadden kunnen worden aan de aankoop van werk van verdienstelijke jonge kunstenaars als aanmoediging.[8]

In 1844 kocht de Commissie het schilderstuk Oldenbarnevelt wordt het doodvonnis aangezegd van Willem Hendrik Schmidt dat op de Tentoonstelling van Levende Meesters bijzonder de aandacht had getrokken.[9] ‘Dit stuk is meesterlijk geschilderd, krachtig en schoon van toon, vooral de hoofdgroep’, aldus de recensent.[10] Willem Hendrik Schmidt was geen onbekende bij het Genootschap. Hij was er van 1837 tot zijn vertrek naar Delft in 1842 tekenleraar en bestuurslid geweest.

Opmerkelijk is dat de Commissie tegelijk met de overdracht van het schilderij aan het Genootschap haar functie neerlegde. Ze was van mening dat er te weinig medewerking was en er op deze manier te weinig beantwoord werd aan het doel.[11] Omdat met het aftreden van de Commissie ook de financiële middelen nagenoeg ophielden, werd door het bestuur een nieuw plan opgesteld. Bij de leden leidde dit tot de nodige discussies. Na een hoop getouwtrek werd het voorstel aangenomen, maar toen was het al zo ver gekomen dat het Genootschappelijk Museum niet meer te redden viel. Doordat er geen toezicht meer was in de vorm van een Commissie en daardoor het beheer van het fonds zich onttrok aan het algemeen bestuur was er onvoldoende draagvlak ontstaan. Al in 1844, nog voordat het ooit tot oprichting was gekomen, luidde dit het einde in van het Genootschappelijk Museum.[12]

Bijgevolg was het Genootschap toen, dankzij het fonds, in bezit van de genoemde schilderijen van Schelfhout, Kruseman, Schotel en Schmidt en nog van een niet nader genoemd schilderij van Jan Adam Kruseman. Nog net voordat de Commissie de stekker uit het plan trok, waren bij de Tentoonstelling van Levende Meesters van 1844 aan het Genootschap bij de verloting nog de volgende schilderijen toegevallen: De geredde schipbreukelingen van Jan Hendrik van de Laar, Een stadsgezicht van Everhardus Koster en Een bloem- en Fruitstuk van Albertus Steenbergen.[13] De magere collectie was verder nog uitgebreid met schilderijen die niet waren afgehaald door diegenen die een winnend lot hadden getrokken.[14] Enige jaren later was het nog niet tot iedereen doorgedrongen dat de oprichting van een museum in Rotterdam mislukt was. Nog in 1847 schreef Bartholomeus Johannes van Hove uit Den Haag het bestuur dat hij het een eer zou vinden als het Genootschappelijk Museum een schilderij van hem zou aankopen. Helaas moest het bestuur laten weten dat het fonds tot aankoop van schilderijen al in 1844 was opgehouden te bestaan.[15]

In 1851 ging het Genootschap verder als gemeentelijke Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen. Het kreeg een ruimte in het Schielandshuis en werd daarmee bovenbuurman van het in 1849 opgerichte Museum Boijmans dat daar eveneens was gevestigd. Bij de brand in het Schielandshuis in februari 1864 gingen veel werken verloren. Van de basiscollectie van elf schilderijen, waarmee Museum Boijmans in 1849 gestart was, bleef slechts één schilderij over. Bij deze brand bleef de academieverzameling, die inmiddels uit 38 werken bestond, gespaard.[16] Maar ook deze collectie had het geluk niet aan haar zijde, want bij de brand die volgde op het bombardement van 14 mei 1940 ging alsnog de hele kunstcollectie verloren.


[1] Zie voor de achtergrond van het conflict: Wilma van Giersbergen, Rotterdamse Meesters. Twee eeuwen kunstacademie in Rotterdam 1773-1998 (2012) 33-34; en Wilma van Giersbergen, Op zoek naar werk. De productieve kunstenaarsfamilie Hauck-Bakker-Van de Laar in Rotterdam 1770-1920 (Rotterdam 2018) 122-124.

[2] De Avondbode, 9-7-1838.

[3] J.A. Bakker, De oorsprong der Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen te Rotterdam, aangetoond in de geschiedenis van het Teekgenootschap ‘Hierdoor tot Hooger’ (Rotterdam 1900) 73-74.

[4] Bakker (1900) 74 en 82.

[5] Bakker (1900) 79; Stadsarchief Rotterdam, Archief Museum Boijmans, inv.nr. 248, Schilderijen aanwezig in het gebouw der Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen te Rotterdam [1883]

[6] Bakker (1900) 79-80.

[7] Bakker (1900) 82-83; Schilderijen [1883].

[8] Bakker (1900) 83.

[9] Rotterdamsche Courant, 1-10-1844, Bakker (1900) 92; Schilderijen [1883].

[10] Nieuwe Rotterdamsche Courant, 29-7-1844.

[11] Bakker (1900) 92.

[12] Bakker (1900) 94-95.

[13] Rotterdamsche Courant, 1-10-1844.

[14] Bakker (1900) 95.

[15] Bakker (1900) 107.

[16] Schilderijen [1883].

Rotterdamse kunstenaars en kunstliefhebbers: orangist of patriot

Wilma van Giersbergen – Rotterdamse kunstenaars en kunstliefhebbers: orangist of patriot?

In de jaren tachtig van de achttiende brak voor Nederland een rumoerige tijd aan, waarin politieke en economische omstandigheden sterk wisselden. Patriotten kwamen tegenover oranjegezinden te staan. Ze roerden zich heftig in het vanouds oranjegezinde Rotterdam en regelmatig kwam het tot botsingen. Ook binnen het Tekengenootschap bosten de meningen tussen het bestuur, de leden en de tekenleraren. Het bestuur werd op dat moment gevormd door Aernout van Beeftingh, Johannes Obreen, Gerrit van der Pals en Jan Daniël Huichelbos van Liender. De tekenleraren waren August Christian Hauck, Gerard van Nijmegen, Nicolaas Muys en Johannes Zacharias Simon Preij.[1]

In 1783 waren er al onlusten in de stad uitgebroken met als gevolg dat een militaire eenheid in Rotterdam werd geplaatst. Bij gebrek aan kazernering werd het Teekengenootschap verordonneerd hun lokaal boven de Delftse Poort te ontruimen: ‘Pictura moest wijken voor Mars’. Met de schamele bezittingen – wat meubelen en een kleine pleistercollectie – pakte het Genootschap zijn biezen. De tekenlessen werden pas eind 1785 weer voortgezet in een lokaal in de Lombardstraat.[2] 

In 1787 laaiden de geschillen in het land weer op en daarmee ook de verdeeldheid onder de leden van het Genootschap. Het bestuur deed alle moeite ze bij elkaar te houden en adviseerde hun zich van politieke uitspraken te onthouden. Desondanks stapten verschillende leden op, onder wie vele honoraire leden (dit waren invloedrijke Rotterdamse burgers die het een eer vonden lid te zijn, contributie betaalden, maar niet meetekenden tijdens de tekenavonden). In 1788 verlieten maar liefst 32 honoraire leden naast een aantal werkende leden het Genootschap. Aangezien we niet weten hoeveel honoraire leden er waren, maar het Genootschap er in 1798 49 telde, moet het aantal van 32 enorm groot zijn geweest. Tot de werkende leden die opstapten, behoorden ook de tekenleraren Van Nijmegen en Preij.[3]

Het is niet duidelijk of de opgestapte leden patriots of oranjegezind waren. Feit is dat de bestuursleden Obreen, Van der Pals en Huichelbos van Liender uitgesproken patriots waren.[4] Ook Van Beeftingh was aanvankelijk patriot. In 1786 had hij het bewijs van lidmaatschap van de zojuist opgerichte patriotse Vaderderlandsche Sociëteit aan de Wijnhaven ondertekend[5] – hij had zelfs het diploma ervoor ontworpen[6] – en begin 1787 was hij vroedschap ter vervanging van de prinsgezinde leden, maar in datzelfde jaar ondertekende hij als burgemeester ook het besluit om de stadhouder te herstellen.[7] Alle bestuursleden bleven het Genootschap trouw. Van de tekenleraren waren Van Nijmegen en Muys patriot, maar alleen Van Nijmegen stapte op. De politieke kleur van Preij en Hauck is onbekend. Preij verliet echter wel het Genootschap, maar toen in 1791 de situatie gestabiliseerd was, keerde hij ‘met algemeen genoegen’ weer terug bij het Genootschap.[8]

Van de samenstelling van de leden is nauwelijks iets bekend: Hauck had in 1781 de kunstverzamelaar Willem Baartz en in 1782 de koopman in verf- en kruidenierswaren Mathias Theodorus Peyper bij het Teekengenootschap geïntroduceerd. Baartz had patriotse ideeën, Peyper was uitgesproken oranjegezind.  Hij was medeoprichter van de in 1787 opgerichte oranjegezinde Opregte Vaderlandsche Sociëteit (niet te verwarren met de Vaderlandsche Sociëteit), en werd er zelfs directeur. En op de verjaardag van stadhouder Willem V in 1788 zou hij actief meedoen aan het decoreren en illumineren van zijn huis aan het Haringvliet.[9] Voor zover bekend bleven beiden lid. Daarentegen was kunstverzamelaar en honorair lid Gerrit van der Pot van Groeneveld,[10] die zeer goed bevriend was met Nicolaas Muys, zo’n vurig patriot dat hij met de inval van het Pruisische leger in 1787 de wijk nam naar Brussel om pas in 1795 met de komst van de Fransen terug te keren.[11]

Muijs had al in 1786 een serie prenten vervaardigd ter gelegenheid van het Alliantiefeest tussen Frankrijk en de Republiek. Ook zijn broer, de graveur Robbert Muys, stond bekend als patriot,[12] evenals de kunstenaar Dirk Langendijk. Langendijk hekelt in zijn tekeningen de oranjegezinden, zoals in De aankomst van de Pruisische huzaren bij het stadhuis van Rotterdam en in De dronken Rotterdamse oranjeaanhangers in hun sociëteit in de Nadorstlaan na de verdrijving van de patriotten, beide uit 1787.[13] In de Nadorstlaan was de Opregte Vaderlandsche Sociëteit gevestigd, ook de Opregte Vaderlandsche Eendracht[14] of de Oprechte Vaderlandsche Schutters Sociëteit ‘de Eendragt’ genoemd.[15]  Ze wordt zelfs aangeduid als de ‘eerste Societeit van ware voorstanders en beminnaars van Godsdienst, Oranje en het Vaderland in de Vereenigde Nederlanden’.[16]

Hauck daarentegen legde juist de overwinning van de Oranjes vast in zijn tekening Plechtige illuminatie ter gelegenheid van ’s lands wettige constitutie, zoals te zien was op de binnenplaats van de sociëteit Oprechte Vaderlandsche Eendracht op 12 april 1788. Bij die gelegenheid was de sociëteit aan de Nadorstlaan prachtig geïllumineerd.[17] Hauck toont het binnenplein van de sociëteit. Onder aan de prent worden de beide zijden van de penning afgebeeld, die speciaal geslagen werd voor de orangistische rustbewaarders die in september 1787 na de komst van de Pruisen heibel op straat wisten te voorkomen. Hauck lijkt daarmee oranjeaanhanger te zijn. Dat lijkt ook te gelden voor de graveurs Franciscus Sansom en Hendrik Roosing met wie Hauck regelmatig samenwerkte en die de genoemde tekening van Hauck omzetten in een gravure.

Plechtige illuminatie ter gelegenheid van ’s lands wettige constitutie, zoals te zien was op de binnenplaats van de sociëteit Oprechte Vaderlandsche Eendracht op 12 april 1788, Franciscus Sansom en Hendrik Roosing naar een tekening van August Christian Hauck (Stadsarchief Rotterdam, inv.nr. RI-1450).

Van het duo Sansom en Roosing zijn nog meer oranjeprenten bekend: onder andere een allegorie op het herstel van stadhouder Willem V, genaamd De van de Storm beschermde Oranjeboom (1787), De optocht van de scheepstimmerlieden bij gelegenheid van de verjaardag van stadhouder Willem V (1788), en het Portret van de oranjegezinde regent mr. Jan Cornets de Groot (1745-1798), medeoprichter van de Opregte Vaderlandsche Sociëteit. Het portret van Cornets de Groot gaat vergezeld van een gedicht van Johannes Le Francq van Berkhey – met wie Hauck in Leiden vriendschappelijke banden had onderhouden – en waaruit een enorme bewondering voor Cornets de Groot spreekt.[18] Daarnaast maakte Sansom zonder Roosing nog verschillende prenten van illuminaties ter gelegenheid van de verjaardag van Willem V. Een andere Rotterdamse graveur, Matthias de Sallieth, schijnt eveneens oranjeaanhanger te zijn geweest, aangezien hij in 1786 en 1787 een serie prenten vervaardigde van stadhouder Willem V en diens echtgenote Wilhelmina van Pruisen, een allegorie op de oprichting van de Opregte Vaderlandsche Sociëteit en een prent van orangisten die het huis van de patriot Lucas van Steveninck in Middelburg plunderden.

In hoeverre de politieke keuze van de kunstenaars van invloed was op het verkrijgen van opdrachten is moeilijk te zeggen. Het lijkt erop dat verschillende kunstenaars er geen been in zagen opdrachten aan te nemen van zowel oranjeklanten als van patriotten. Sansom, die omstreeks 1787 oranjeprenten vervaardigde, had in 1784 – naar een tekening van de patriot Dirk Langendijk – het lidmaatschapsbewijs ontworpen van het genootschap van wapenhandel De Palmboom onder de zinspreuk ‘voor Stad en Vaderland’ (nu: Stadsarchief Rotterdam). Dit genootschap streefde naar verder herstel van een republikeinse regering.[19]

Met de komst van de Fransen in 1795 en de daaropvolgende stichting van de Bataafse Republiek lijkt de politieke kleur een andere weg in te slaan. Oranjesympathisant Roosing vervaardigde in 1795 een vignet met daarop de Franse maagd, hand in hand met de Nederlandse maagd, wier juk en verbroken ketenen aan haar voeten liggen.[20] In 1796 maakte hij naar ontwerp van Dirk Langendijk een stembriefje voor de Rotterdamse burgerij met als randschrift Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap.

Ook Hauck lijkt in 1795 een omslag te maken aangezien hij in dat jaar, samen met zijn schoonzoon Cornelis Bakker, een serie van vier zinnebeeldige prenten vervaardigde: Ondeelbaarheid, Gelijkheid, Getrouwheid en Waakzaamheid. Deze serie verbeeldt het goede (lees: Franse) bestuur. Hendrik Roosing zette de vier tekeningen om in gravures die werden uitgegeven bij Johannes Groenewoud in Rotterdam.[21] 

De allegorie op de Ondeelbaarheid van de Bataafse Republiek toont links de Vrijheid in de persoon van de godin Minerva, met een staf voorzien van de vrijheidsmuts (revolutie), en rechts Overvloed. Beiden staan naast het altaar van de constitutie en, verbonden door hun liefde voor het vaderland, weerstaan ze de aanvallen van List, Tweedracht en Nijd die de Eenheid bedreigen, maar die door de aanvallende engelen, de aanstormende burgerwacht rechts op de achtergrond, en Vrouwe Justitia en de Hoop links op de achtergrond worden beschermd. Op de voorgrond zijn links de riviergod Neptunus en rechts Mercurius, de god van de handel afgebeeld.   Ondeelbaarheid door Cornelis Bakker naar een tekening van August Christian Hauck, 1795 (RPK inv.nr. RP-P-OB-73.839).
Op de zinnebeeldige prent Gelijkheid heeft Vrouwe Justitia, links boven in de lucht, een koord geslagen rond een groep, waarin alle standen vertegenwoordigd zijn (boer, predikant, soldaat, handwerksman, matroos, bisschop). Midden tussen hen staat de gehelmde Vrijheid met de vrijheidsmuts op een staf. De groep is vrij, maar ook tegelijk gebonden door de wet: via het lint dat naar de wetten van Justitia leidt. Links op de achtergrond staan exercerende burgers. Rechts op de achtergrond de Liefde, de Vrede en de Eendracht. In de lucht een putto die een boek draagt met de tekst ‘Vrij en Gelijk door de Wet gebonden’ en rechts houden twee putti de hoorn des overvloeds vast. Op de voorgrond zijn opnieuw Neptunus en Mercurius afgebeeld. Gelijkheid door Cornelis Bakker naar een tekening van August Christian Hauck, 1795 (RPK, inv.nr. RP-P-OB-77.604).
Getrouwheid zetelt op een kist, waarvan ze de sleutel in haar hand houdt. Onder haar voetkussen liggen tekeningen voor vestingwerken. Links van haar staat Standvastigheid (of Kracht) en rechts van haar verjaagt Hercules List, wiens masker afvalt, en Janus met vuur en water, symbool voor dubbelhartigheid. Links komen twee engeltjes een hart en een kruik aanbieden. Op de voorgrond links de Hollandse leeuw en rechts een geboeide man op een kanonsloop, mogelijk Oorlog. Getrouwheid door Cornelis Bakker naar een tekening van August Christian Hauck, 1795 (RPK, inv.nr. RP-P-1944-1937).
Op de prent Waakzaamheid zit de Vrijheid in de Hollandse Tuin en wordt beschermd door de personificatie van de Franse macht. De Hollandse leeuw brult naar de gemaskerde vijanden. Buiten de omheining van de Hollandse Tuin vertegenwoordigt links een naakte moeder met haar kinderen de Liefde, op de voorgrond een slapende herder. Op de achtergrond een tentenkamp van de burgerwacht.   Waakzaamheid door Cornelis Bakker naar een tekening van August Christian Hauck, 1795 (RPK, inv.nr. RP-P-1944-1879).  

[1] J.A. Bakker, De oorsprong der Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen te Rotterdam, aangetoond in de geschiedenis van het Teekengenootschap ‘Hierdoor tot Hooger’ (Rotterdam 1900) 8-11.

[2] Bakker (1900) 10-11.

[3] Bakker (1900) 13.

[4] Eric Palmen, De koopmannen van Rotterdam, een cohortanalyse van de welstandselite van Rotterdam 1750-1803: economie, politiek en cultuur in een tijd van crisis. Onderzoek in het kader van het project geschiedschrijving Rotterdam (Rotterdam 1994) bijlage.

[5] W.F. Lichtenauer, ‘Parellelle levens in de nieuwe geschiedenis’, in: Rotterdamsch Jaarboekje (1956) 120. De sociëteit was gevestigd aan de Wijnhaven.

[6] F.W. van den Berg, ‘Een kijkje op het revolutionaire Parijs van 1792 in een bericht aan een Rotterdammer’, in: Rotterdams Jaarboekje (1986) 242.

[7] A.M. Meyerman, N.I. Schadee en Ch. Tiels, Aangenaam gezelschap zes conversatiestukken van Nicolaas Muys (Rotterdam 1992) 45-46.

[8] Bakker (1900) 12-13 en 15.

[9] Rotterdamsche Courant, 30-9-1790; https://www.peijpers.com/Matthias.htm

[10] V.D., Acht jaren uit de geschiedenis van de Delftsche Poort 21 januari 1777-16 augustus 1784 (Rotterdam 1937; overdruk uit de Nieuwe Rotterdamsche Courant 12, 13 en 14 januari 1937) 12.

[11] E. Wiersum, ‘De brieven van Pieter Joseph Thijs aan Gerrit van der Pot van Groeneveld’, in: Rotterdamsch Jaarboekje (1932) 8 en 10.

[12] Palmen (1994) bijlage.

[13] H.C. Hazewinkel, ‘Dirk en Jan Anthonie Langendijk en Christoffel Meijer’, in: Rotterdamsch Jaarboekje (1955) 129, 134-135.

[14] J. van Dijk-de Jong, ‘Hendrik en Pieter Roosing, kunstgraveurs te Rotterdam’, in: Rotterdams Jaarboekje (1998) 298.

[15] ‘Nieuwsberichten uit de Rotterdamsche Courant’, in: Rotterdamsch Jaarboekje (1910) 202.

[16] G. van Rijn, ‘Pamflet aan het volk van Nederland, te Rotterdam’, in: Rotterdamsch Jaarboekje (1888) 264.

[17] Rotterdamsche Courant, 12-4-1788.

[18] Van Dijk-de Jong (1998) 298-299.

[19] ‘Nieuwsberichten uit de Rotterdamsche Courant’, in: Rotterdamsch Jaarboekje (1910) 197; inv.nr. 1980-1562.

[20] Van Dijk-de Jong (1998) 300.

[21] F. Müller, De Nederlandsche geschiedenis in platen. Beredeneerde beschrijving van Nederlandsche historieplaten, zinneprenten en historische kaarten,dl. 3, De Bataafsche Republiek (Amsterdam 1879).

Kunstverzamelaars in Rotterdam 1800-1875

Wilma van Giersbergen 2010 (bewerkt in 2021) – Kunstverzamelaars in Rotterdam 1800-1875

Rond het midden van de negentiende eeuw telde Rotterdam ongeveer tien kunstverzamelaars van belang. Net zoals in het eerste kwart van de negentiende eeuw zouden ook deze kunstcollecties na het overlijden van de verzamelaars worden verkocht, en dat ondanks het feit dat Rotterdam vanaf 1849 het gemeentelijk Museum Boijmans zou hebben (zie voor de eerste helft: I Kunstverzamelaars in Rotterdam: 1760-1830).

De collecties van Cornelis Dalen, Willem Baartz, Hendrik Rochussen, Dirk Vis Blokhuijzen, Willem Theodorus van Griethuijsen en Gerard Duuring, bevatten nog werken van oude meesters, maar zij verzamelden ook werken van eigentijdse kunstenaars. De andere verzamelaars collectioneerden overwegend laat-achttiende-eeuwse en eigentijdse werken, van wie Theodora Catharina Cornelia Valeton, Pieter van der Dussen van Beeftingh, Van Griethuijsen en Edward Levien Jacobson ook werk van nog vrij jonge kunstenaars aankochten. In een enkel geval vindt men ook werk van Vlaamse schilders in de collecties. Alleen de verzamelaars Johan Abraham Nottebohm en Edward Levien Jacobson waren gericht op het collectioneren van Franse moderne kunst. Maar ook moderne Hollandse meesters, voor een deel de nieuwe stroming de Haagse school, vonden de weg naar hun collecties.

Kunstverzamelaars kochten van een kunstenaar gewoonlijk enkele werken. Alleen van zeer populaire schilders, zoals Pieter Gerardus van Os en Andreas Schelfhout, werden regelmatig meer werken aangeschaft.[1] Uit de geveilde kunstcollecties valt op te maken dat de Rotterdamse collectioneurs hoofdzakelijk gecharmeerd waren van de werken van Jacob van Strij, Ary Scheffer, Johannes Bosboom, Barend Cornelis Koekkoek, Wijnand Nuyen en Andreas Schelfhout, die grotendeels tot de romantische school gerekend kunnen worden.

Na 1830 kwam er een sterke belangstelling voor eigentijdse kunst. Dat kwam onder meer doordat de aankoop van oude kunst steeds duurder werd en er steeds meer mogelijkheden kwamen om eigentijdse kunst aan te kopen, zoals de Tentoonstelling van Levende Meesters die sinds 1832 ook in Rotterdam ingang had gevonden. Het belangrijkste doel daar was kunst te verkopen.[2] Via andere kanalen kochten verzamelaars, zij het steeds minder, meesters uit de Gouden Eeuw aan. Meestal waren het tekeningen die nog wel betaalbaar waren. Ook het werk van laat achttiende-eeuwse kunstenaars raakte in de verzamelingen steeds meer op de achtergrond.

De door Van Eynden en Van der Willigen genoemde C. Dalen was een verzamelaar van tekeningen van oude en moderne meesters, vooral van Dirk Langendijk.[3] Alles wijst erop dat met deze verzamelaar Cornelis Dalen (1766-1852) wordt bedoeld, geneesheer in Rotterdam die in die hoedanigheid in 1841 zijn 50-jarig jubileum vierde. Dalen bezat een groot buitengoed in Rotterdam waar hij de hortus botanicus oprichtte ten behoeve van de klinische school. Hij was er tevens directeur.[4] Daarnaast was hij voorzitter van de Commissie van Geneeskundige Toezicht in Rotterdam en directeur van het Bataafsch Genootschap.[5] Hij was een ‘krachtig voorstander en bevorderaar’ van de kunsten en hij deed veel voor het Schilderkunstig Genootschap ‘Arti Sacrum’, sinds 1830 een afscheiding van het Teekengenootschap.[6] Ook was hij betrokken bij de oprichting van het departement van de Maatschappij tot bevordering van de Beeldende Kunsten in 1839, waarvan hij voorzitter werd. Jan van Harderwijk, kunstliefhebber en bestuurslid van het Teekengenootschap, en de kunstverzamelaars Gerard Duuring en Dirk Vis Blokhuyzen werden bestuurslid van het departement.[7] In 1843 werd Dalen ‘om zijne kunstliefde en kennis, en zijne belangstelling in den bloei des Genootschaps’ tot lid van verdiensten benoemd.[8] Na zijn overlijden werden zijn collecties vlinders en insecten geveild, maar over zijn kunstcollectie is niets bekend. [9] Met grote waarschijnlijkheid werd die geërfd door zijn dochter Dorothée Marie Dalen die in 1825 gehuwd was met Gerard Duuring, die zelf een kunstverzamelaar was.

Cornelis Dalen was bevriend met Dirk Langendijk. Deze tekening van Langendijk draagt als onderschrift: uit vriendschap geteekend voor mijnen vriend corn. Dalen med: stud: door Dirk Langendijk 1786-87. Rond de datum heeft hij toegevoegd: in oud jaars Nacht. Cornelis Dalen was jarig op 31 december. Het moet dus een verjaardagscadeau geweest zijn van Dirk Langendijk aan Dalen, die op dat moment student medicijnen was.[10]

De zeepzieder Hendrik Rochussen (1779-1852), vader van de kunstenaars Charles en Henri Rochussen, bezat een uitgebreide bibliotheek over kunst en geschiedenis, en was bestuurslid van het Teekengenootschap. Hij was zelf een goed tekenaar en schilder. Hij bezat een aanzienlijke verzameling van schilderijen, portretten en prenten van oude en contemporaine meesters,[11] die ternauwernood gered kon worden bij de grote brand van de suikerraffinaderij in 1849 (zie artikel Een fatale brand aan de Leuvehaven).

Tot de oude meesters behoorden Michiel van Mierevelt, Caspar Netscher, Adriaan van der Werff, Nicolaas Maes en Cornelis Troost. Maar de belangrijkste collectie was toch wel die van de moderne meesters. Rochussen bezat werk van Johannes Bosboom, Ferdinand de Braekeleer, Jacobus Josephus Eeckhout, Barend Cornelis Koekkoek, Henri Leys, Hendrik Scheffer, Wijnand Nuyen, Gustaf Wappers, Anthonie Waldorp en Willem Hendrik Schmidt. Hij had ook werk van Rotterdamse tekenaars in zijn collectie, want Jacob Kouwenhoven schilderde in opdracht voor hem. Volgens het verkoopboek dat Jan Hendrik van de Laar bijhield, kocht Rochussen twee schilderijen van hem: Magdalena Moons & Frans Valdez (1831) en Een Krijgsman door een meisje gevleid wordende (1837). De verzameling Rochussen kwam in 1869, dus geruime tijd na zijn overlijden, onder de hamer bij Ary Lamme en diens zoon Dirk Lamme.[12] Voordat het zover was, werd door de erven het schilderij Een kraamkamer uit het begin der vorige eeuw van Cornelis Troost aan Museum Boijmans aangeboden (nu: Hollandse kraamkamer).[13]

De collectie die koffiemakelaar Gerard / Gerrit Duuring (1805-1882)[14] bijeenbracht, bestond uit tekeningen van oude meesters en uit schilderijen van moderne kunstenaars: David Bles, Johannes Bosboom, Jozef Israëls, (Herman of Henri) Ten Kate, Barend Cornelis Koekkoek, Gerorgius Jacobus Johannes van Os, Philip Sadée, Ary Scheffer, Andreas Schelfhout, Jacob Spoel, Jacob van Strij en Petrus Gerardus Vertin. Vermoedelijk is het gedeelte met de oude meesters afkomstig geweest uit de collectie van zijn schoonvader Cornelis Dalen.

Het is onbekend of de collectie na het overlijden van Duuring werd verkocht. Als ze al geveild is, gebeurde dat niet direct na zijn overlijden, want in 1883 toonde de Rotterdamse makelaar Gerrit Elink Schuurman, getrouwd met Duurings dochter Maria Catharina, op de kunstbeschouwing van Arti & Amicitiae in Amsterdam een portefeuille met tekeningen ‘uit de verzameling van wijlen den heer G. Duuring’.[15] Duuring was bestuurslid van Academie van Beeldende Kunsten en van de Maatschappij tot bevordering van de Beeldende Kunsten. Zijn portret werd geschilderd door de Rotterdamse kunstenaar Robbert van Eysden en dat van zijn echtgenote Dorothea Maria Dalen, dochter van de arts en kunstverzamelaar Cornelis Dalen, door de Rotterdammer Willem Hendrik Schmidt. Schmidt, tekenleraar bij het Genootschap, overleed al in 1849 op 40-jarige leeftijd. Het was Duuring die voorstelde om een kopie van Schmidts zelfportret te laten maken, om daarmee het aandenken van Schmidt levend te houden. Jan van de Laar nam de taak op zich het portret na te schilderen. Jarenlang hing de kopie in de tekenzaal van de Academie,[16] totdat de hele collectie met het bombardement van 14 mei 1940 werd verwoest. Het originele zelfportret van Schmidt bevindt zich nu in het Rijksmuseum Amsterdam.

Opvallend is dat er zich onder de Rotterdamse verzamelaars één vrouwelijke collectioneur bevond. Theodora Catharina Cornelia Valeton (1786-1860) had een zeer uitgebreide collectie van zowel werk van de laat-achttiende-eeuwse meesters Dirk Langendijk met een ‘rijke, geestig geschilderde compositie, een militair kamp voorstellende’, Jan Kobell ‘van Utrecht’, Jacob van Strij en Balthasar Paul Ommeganck, als werk van de eigentijdse kunstenaars Johannes Bosboom (Een kerk in België), Barend Cornelis Koekkoek, Jan Hendrik van Grootveld, Johannes Christiaan Schotel, Bartholomeus Johannes van Hove, Wijnand Nuyen (Een Zeehaven), Andreas Schelfhout, Petrus van Schendel en Ferdinand de Braekeleer (Het Afscheid van Anthony van Dijck naar Italië vertrekkende). Meteen na haar overlijden – Valeton was ongehuwd – werd haar verzameling op 8 juni door Ary Johannes Lamme geveild. De drie schilderijen die het meeste opbrachten, waren die van Schotel, wiens Gezicht op de kust van Zeeland voor 1200 gulden van de hand ging, Ommeganck, Schapen dat 970 gulden opbracht en Koekkoek, Ingang van een bosch dat voor 990 gulden werd verkocht. Daarentegen deed het werk van Langendijk slechts 251 gulden en een kaarslicht van Grootveld 195 gulden. Haar hele collectie bracht 10.500 gulden op.[17]

In dezelfde week dat de collectie Valeton onder de hamer kwam, werd ook de ‘uitmuntende verzameling’ van Willem Baartz jr. geveild. Omdat de basis voor deze collectie gelegd werd door Willem Baartz sr. is ze behandeld in het artikel I Kunstverzamelaars in Rotterdam: 1760-1830.

Dirk Vis Blokhuijzen (1799-1869) had zijn prachtige verzameling voor de stad Rotterdam willen behouden, maar dat liep op dramatische wijze mis. Vis Blokhuijzen kocht al op twaalfjarige leeftijd op de ‘toenmaals talrijke verkoopingen, zeldzame en fraaije prenten, waarvan velen zich voor betrekkelijke spotprijzen in die benarde tijden ontdeden’.[18] Met die ‘benarde tijden’ werd de periode bedoeld, toen het land ingelijfd was bij het Franse rijk (1810-1813) en het er economisch zo slecht voorstond dat veel kunstwerken voor spotprijzen van de hand gingen (zie artikel I Kunstverzamelaars 1760-1830).

Vis Blokhuijzen bracht in de loop van zijn leven een zeer belangwekkende schilderijenverzameling bijeen van zo’n zestig stukken met werk van Rembrandt, Frans Hals en Vermeer (De Kantwerkster; nu Louvre). Tot zijn omvangrijke collectie van vierduizend houtsneden, gravures en etsen[19] behoorden oude en moderne meesters ‘schier aller meesters der Oud-Duitsche en Hollandsche school, van het begin tot op heden, en waaronder niet weinigen van zoo groote zeldzaamheid, dat slechts twee of drie exemplaren er van in Europa bekend zijn.’[20] Vis Blokhuijzen was directeur van het Rijks-Entrepot en assuradeur. Zelf was amateurschilder en etser. In 1854 schonk Vis Blokhuijzen Een kat bij enkele riviervissen van Van Noort aan Museum Boijmans.[21] Als secretaris en lid van de Commissie voor aankoop voor Museum Boijmans gaf Vis Blokhuijzen in 1861 Een Landschap van Hendrikus van de Sande Bakhuijzen aan het Museum ten geschenke.[22] Vlak voor zijn overlijden had Vis Blokhuijzen, die ongehuwd bleef, zijn collectie voor een vriendenprijs van 50.000 gulden aan de gemeente aangeboden. Het bedrag lag ver onder de werkelijke waarde van de collectie, maar met dit gebaar gaf hij te kennen dat hij op die manier de collectie van Museum Boijmans – dat bij de brand van 1864 een groot deel van zijn collectie had verloren – verder wilde uitbreiden. De gemeente zag evenwel van het aanbod af. Hoe wenselijk een dergelijke collectie ook zou zijn, het college van B&W kon ‘evenwel voor het tegenwoordige, wegens den financieelen toestand der Gemeente en in verband met de kosten der nog uit te voeren groote werken, niet tot aanneming van het aanbod adviseren’. Kennelijk vermoed hebbende dat de gemeente negatief zou besluiten, hadden de kunstliefhebbers Johannes Tavenraat, Willem Theodorus van Griethuijsen, Pieter van der Dussen van Beeftingh, Christiaan Godfried Schutze van Houten en Adriaan van Stolk Czn. diezelfde ochtend, nog voor het besluit definitief gevallen was, een missive naar B&W gestuurd waarin ze ‘namens vele kunstliefhebbers en belangstellende de hoop te kennen geven, dat het echt vaderlandslievend en edelmoedig aanbod moge kunnen aangenomen worden.’ Bij een negatief advies verzochten ze om de afwijzende beschikking zodanig op te stellen dat stadgenoten in de gelegenheid zouden worden gesteld via particuliere bijdragen het benodigde kapitaal bij elkaar te krijgen.[23] Daarop werd een inschrijving gestart waarop 330 Rotterdammers intekenden voor een bedrag van totaal 25.000 gulden dat als renteloos voorschot aan de gemeente werd aangeboden. Daarnaast was aan vrijwillige bijdragen nog 3000 gulden binnengekomen.[24] De gemeente hoefde voor dat moment slechts 22.000 gulden bij te leggen. Ze was echter niet bereid het ontbrekende bedrag aan te vullen en zag na veel gedelibereer nogmaals van het aanbod af.[25]

Het gevolg was dat de kwalitatief hoogstaande verzameling na het overlijden van Vis Blokhuijzen werd verkocht. Ze werd in drie delen op de markt gebracht. De schilderijen werden op 1 april 1870 in Parijs geveild en brachten ruim 121.000 francs op. De hoogste prijzen werden betaald voor een portret vervaardigd door Gerard Terborg (8500 gulden) en een portretje, vermoedelijk Huygens, door Rembrandt (8200 gulden). Een portret van Frans Hals deed 11.600 francs, De Kantwerkster van Vermeer 6000 francs en een portret van Bartholomeus van der Helst 4105 francs[26] (nu: Portret van een heer, Metropolitan Museum New York).[27]

Het tweede deel – de prenten, etsen en tekeningen – werd niet in Parijs maar in Rotterdam onder Ary Lamme geveild, en wel in twee delen: 9 t/m 11 november 1869 en op 30 oktober 1871.[28] Ary Lamme – sinds 1852 directeur van Museum Boijmans – kocht op de veiling 51 kavels met 69 tekeningen, merendeel zeventiende-eeuws, ten behoeve van het Museum, maar de rest ging voor Boijmans verloren. De hele collectie bracht ruim 100.000 gulden op.[29]

De collectie van suikerraffinadeur en gemeenteraadslid Pieter van der Dussen van Beeftingh (1794-1875), bestuurslid bij het Teekengenootschap en zoon van de kunstverzamelaar Aernout van Beeftingh (zie I: Kunstverzamelaars 1760-1830), bevatte werken van oude meesters, maar de nadruk lag toch op eigentijdse schilders: Hendrik van de Sande Bakhuyzen, Gerard Bilders, Christoffel Bisschop, Johannes Bosboom, Johannes Franciscus Hoppenbrouwers, Huib van Hove, Jozef Israëls, Henri ten Kate, Barend Cornelis Koekkoek, Hermanus Koekkoek, Jan Hendrik van de Laar, Charles Leickert, Anton Mauve, Wijnand Nuijen, Cornelis Springer, Charles Rochussen, Andreas Schelfhout, Petrus Gerardus Vertin en Willem Hendrik Schmidt. Pas na het overlijden van zijn weduwe in 1881 werd de collectie op 9 mei geveild door de kunsthandelaar Johan Vlaanderen Oldenzeel. In dat jaar werd ook de enorme buitenplaats Walenburg, die door het echtpaar was bewoond, perceelsgewijze verkocht.[30] Tot de belangrijkste werken die onder de hamer kwamen, werden Kerk van Beverwijk van Bosboom en Winterlandschap met ijsbaan, bij storm van Schelfhout gerekend. Daarnaast werden uit zijn collectie ook tekeningen, etsen, gravures en miniaturen geveild.[31]

Van der Dussen van Beeftingh had maar liefst acht werken – zeven tekeningen en een schilderij – van Jan Hendrik van de Laar in zijn collectie, waaronder Een doopplechtigheid uit het midden der zeventiende eeuw (1838), Een gouden bruiloft (1839), De bruiloft (1839), Een triomfale intocht (1843; nu Museum Rotterdam), De overwintering op Nova Zembla (1845), De viering der zondag op Nova Zembla (1851), Rembrandt (1856) en het schilderij Het gevallen meisje (1844).

Jan Hendrik van de Laar, Een triomphale intocht (1843), aquarel. Pieter van der Dussen van Beeftingh kocht het werk in 1843 van Van de Laar (Museum Rotterdam, inv.nr. 5170).  

Willem Theodorus van Griethuijsen (1824-1886), van 1860 tot aan zijn dood dominee in Rotterdam, reisde veel en schreef ook reisverslagen. Diens collectie omvatte boeken, oude schilderijen en miniaturen, naast schilderijen, tekeningen en aquarellen van de moderne meesters Nicolaas Bastert, Christoffel Bisschop, Willem Roelofs, David Bles, Johannes Bosboom, Jozef Israëls, Karel Klinkenberg, Barend Cornelis Koekkoek, Willem Maris, Hendrik Willem Mesdag, Louis Meijer, Albert Neuhuys, Charles Rochussen, Henriëtte Ronner, Cornelis Springer, Elchanon Verveer, Samuel Verveer en Jan Weissenbruch (‘het bekende schilderij’ Een watergezicht bij het dorp Elshout; nu Teylers Museum). Griethuijsen stelde uit zijn collectie portefeuilles samen voor kunstbeschouwingen, zoals in 1882 in Art & Amicitiae in Amsterdam.[32] Zijn verzameling werd op 9 en 10 juni 1887 in Rotterdam door de kunsthandelaar Johan Oldenzeel geveild. Ze telde ruim 250 nummers, voor een groot deel salonstukjes.[33] 

Nottebohm en Jacobsen verzamelden, zoals gezegd, voornamelijk Franse kunst. De koopman Johann Abraham Nottebohm (1783-1866) had op zijn buiten De Heuvel in het Park (toen nog Delfshaven) een kunstkabinet met voornamelijk Frans werk (Ingres, Horace Vernet), maar hij kocht ook eigentijds Hollands werk aan, waaronder Ary Scheffer en Georgius Jacobus Johannes van Os.[34] Hij was overigens de laatste privébewoner van het buiten dat enige jaren na zijn overlijden na een hoop beraadslagingen uiteindelijk in gemeentelijke handen zou overgaan. In 1854, bij het 25-jarig bestaan van de Maatschappij tot bevordering der Toonkunst, wilde Nottebohm iets terugdoen voor de stad. Hij gaf in zijn buiten een soirée voor driehonderd gasten, waar ook alle in de stad verblijvende kunstenaars waren uitgenodigd.[35] Ook ter gelegenheid van de schenking in 1857 aan Museum Boijmans van het portret van de gouverneur-generaal van Oost-Indië, Rijklof van Goens met echtgenote en twee kinderen, van Bartholomeus van der Helst (dat overigens bij de brand van 1864 verloren zou gaan) bood Nottebohm de kunstenaars een maaltijd aan, waarbij ook enkele kunstliefhebbers aanzaten.[36]

Het verhaal gaat dat Nottebohm zijn fraaie schilderijenverzameling met de vele Scheffers over had willen dragen aan de gemeente Rotterdam, maar toen de koning op bezoek kwam en de burgemeester vergat Nottebohm uit te nodigen, zou hij daarover zo ontstemd zijn geweest dat hij zijn hele verzameling aan de stad Antwerpen zou hebben gelegateerd.[37]

Hoe dan ook, feit is dat zijn broer Diederich Wilhelm Nottebohm de collectie in 1866 had geërfd en daarvoor in Antwerpen op de hoek Van Mutsaardstraat en Lange Noordstraat speciaal een pand in neorenaissancestijl had laten bouwen. De beide broers hadden zich in 1811 vanuit Bielefeld in Antwerpen gevestigd, waar ze de firma Nottebohm Frères hadden opgericht die zich bezighield met koloniale handel in met name rijst, graan, koffie en leer. Na het overlijden van Diederich in 1871 werd het privémuseum vermoedelijk voortgezet door diens zoon Edouard Nottebohm. Na diens overlijden in 1886 werd het museum opgeheven. Wat er met de collectie Nottebohm gebeurde, is onbekend.[38]

Edward Levien Jacobson (1802-1875), makelaar in koffie en in Haarlemse katoen, schijnt een soortgelijke collectie te hebben gehad als Nottebohm: moderne voornamelijk Franse kunstenaars – Horace Vernet, Meissonier, Decamps (Turkse lijfwacht), Rosa Bonheur (Liggende stier), Paul Delaroche (Portret van Napoleon I), Gérome, Dupré, Ingres,  – maar ook zo’n 25 werken van Nederlandse kunstenaars, van wie vier Scheffers (La plaintes de la jeune fille, Mignon), Martinus Kuytenbrouwer, Bakker Korff, Gerard Bilders, Bosboom, Paul Gabriel, Jan de Haas, Nuyen, Louis Meijer, Rochussen, Weissenbruch, Willem Roelofs, Schotel, maar ook de Haagse school, zoals werk van de nog jonge Gerke Henkes, Theo Mesker en Willem Maris.

Het portret van Jacobson werd geschilderd door de Vlaamse schilder Louis Gallait en dat van zijn echtgenote, Harriet Enthoven, door de in Parijs woonachtige Ary Scheffer. Jacobson was lid van de Commissie van aankoop voor Museum Boijmans. Kort na de opening van het Museum in 1849 schonk hij het schilderij Wildzwijnenjacht van Abraham Hondius en in 1852 een Portret van een deftig man van Albert Cuyp. Beide werken gingen bij de brand in 1864 verloren.

Jacobson had al in 1842 bepaald dat zijn met zorg samengestelde collectie schilderijen niet in het openbaar mocht worden verkocht, maar stuksgewijs om zo tot een betere waardering te komen. Tot aan zijn verhuizing naar Den Haag in 1862 hing de collectie in zijn huis aan de Leuvehaven, daarna aan de Bezuidenhout. Uiteindelijk werd de verzameling – 91 schilderijen waarvan 27 van Nederlandse kunstenaars, 20 etsen naast tekeningen – op 28 en 29 april 1876, krap een jaar na zijn overlijden, geveild in Hôtel Druout in Parijs. De catalogus was verkrijgbaar in Den Haag, Parijs, Londen, Brussel, Berlijn en Wenen. De collectie bracht 457.000 francs op.[39]


[1] Annemieke Hoogenboom, De stand des kunstenaars. De positie van kunstschilders in Nederland in de eerste helft van de negentiende eeuw (Leiden 1993) 135-136.

[2] Zie Annemieke Hoogenboom, De stand des kunstenaars. De positie van kunstschilders in Nederland in de eerste helft van de negentiende eeuw (Leiden 1993) 129-157.

[3] Roeland van Eynden en Adriaan van der Willigen, Geschiedenis der Vaderlandsche Schilderkunst, sedert de helft der XVIII eeuw 3 (1816-1840) 480.

[4] P.H. Simon Thomas, ‘De Rotterdamsche geneeskundige school 1828-1866’, in: Rotterdamsch Jaarboekje (1913) 47; E.W. [= Eppe Wiersum], ‘De Hortus Botanicus, in: Rotterdamsch Jaarboekje (1932) 20.

[5] Rotterdamsche Courant, 20-8-1825 en 3-11-1825.

[6] A.J. van der Aa, Biographisch Woordenboek der Nederlanden 4 (1858) 28.

[7] Rotterdamsche Courant, 24-9-1839.

[8] J.A. Bakker, De oorsprong er Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen te Rotterdam aangetoond in de geschiedenis van het Teekengenootschap “Hierdoor tot Hooger” (Rotterdam 1900) 87.

[9] Zie voor zijn grafrede: Nieuwe Rotterdamsche Courant, 30-10-1852.

[10] https://www.kd-art.be/selected-works/dirk-langendijk/

[11] Van der Aa 16 (1874) 387.

[12] Van Eynden en Van der Willigen 2 (1816-1840) 220; Nieuwe Rotterdamsche Courant, 4-7-1862; Opregte Haarlemsche Courant, 13-7-1869.

[13] Het Vaderland, 27-11-1869.

[14] In 1845 had Gerrit Duuring (wiens vader ook Gerrit heette) zijn voornaam veranderd in Gerard (Stadsarchief Rotterdam: digitale stamboom).

[15] Algemeen Handelsblad, 2 februari 1883.

[16] Bakker (1900) 109-110.

[17] Rotterdamsche Courant, 21-5-1860, 30-5-1860, 2-6-1860 en 9-6-1860.

[18] Nieuwe Rotterdamsche Courant, 27-4-1869.

[19] Opregte Haarlemsche Courant, 26-10-1869.

[20] Nieuwe Rotterdamsche Courant, 27-4-1869.

[21] Rotterdamsche Courant, 25-8-1854.

[22] Rotterdamsche Courant, 9-5-1861.

[23] Nieuwe Rotterdamsche Courant, 23-4-1969.

[24] Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 26-5-1869.

[25] Het Vaderland, 15-4-1869; Algemeen Handelsblad, 28-4-1869 en 31-5-1869; Nieuwe Rotterdamsche Courant, 25-4-1869 en 17-6-1869; Middelburgsche Courant, 29-6-1869. Zie ook: P. Haverkorn van Rijsewijk, Het Museum Boijmans te Rotterdam (Den Haag / Amsterdam [1909] 215-234.

[26] Het Vaderland, 6-4-1870.

[27] Judith van Gent, Bartholomeus van der Helst (circa 1613-1670): een studie naar zijn leven en zijn werk (Utrecht 2011) 256, cat. nr. 37.

[28] Opregte Haarlemsche Courant, 26-10-1869; Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage, 31-10-1871.

[29] Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage, 8-5-1871; Yvonne Bleyerveld, Albert J. Elen, Judith Niessen e.a., Nederlandse tekeningen uit de vijftiende en zestiende eeuw in Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam. Kunstenaars geboren voor 1581, online bestandscatalogus, https://www.boijmans.nl/collectie/onderzoek/nederlandse-tekeningen-uit-de-15de-en-16de-eeuw

[30] Rotterdamsch Nieuwsblad, 15-6-1881.

[31] Het Vaderland, 8-5-1881; Algemeen Handelsblad, 6-5-1881.

[32] Het nieuws van den dag, 25 november 1882.

[33] Het nieuws van den dag, 30-5-1887, Algemeen Handelsblad, 6-6-1887; Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage, 7-6-1887 en 10-6-1887, 11-6-1887 en 27-6-1887; Het Vaderland, 8-6-1887 en 11-6-1887; Opregte Haarlemsche Courant, 11-6-1887 en 26-11-1887.

[34] W.J.L. Poelmans, ‘Nieuwsberichten uit de Rotterdamsche Courant’, in: Rotterdamsch Jaarboekje (1925) 175.

[35] J.M. Baelde, ‘Het Rotterdamse Park’, in: Rotterdamsch Jaarboekje (1941) 218.

[36] Rotterdamsch Jaarboekje (1925) 193; Rotterdamsche Courant, 4-4-1857 en 10-07-1857.

[37] Baelde (1941) 218.

[38] https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/5573

[39] Het Vaderland, 7-4-1876; Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage, 15-4-1876 en 2-5-1876; Algemeen Handelsblad, 21-04-1876, Het nieuws van den dag, 3-5-1876; H. Reuchlin, ‘Edward Levien Jacobson (1802-1875). Profiel van een verzamelaar en een industrieel pionier rond het midden van de negentiende eeuw’, in: Rotterdams Jaarboekje (1976) 174-178.

Kunstverzamelaars in Rotterdam 1780-1830

Wilma van Giersbergen 2010 ( bewerkt in 2021): Kunstverzamelaars in Rotterdam 1780-1830

Aan het begin van de negentiende eeuw kende Rotterdam zo’n tien kunstverzamelaars van belang. De allerbelangrijkste was Gerrit van der Pot van Groeneveld, gevolgd door Daniël de Jongh Adrz., Gerrit van der Pals, Willem Baartz en Aernout van Beeftingh. Daarnaast waren er nog een paar Rotterdammers met kleinere collecties. Ze verzamelden voornamelijk werk van schilders uit de Gouden Eeuw, naast tekeningen en prenten.[1] Als ze al eigentijdse kunst verzamelden, dan bestond dat vooral uit schilderijen en tekeningen van Rotterdamse kunstenaars. De meest gecollectioneerde werken waren van Dirk Langendijk, Gerrit Groenewegen, Nicolaas Muijs, Jan Kobell ‘van Utrecht’, Hendrik Kobell en Gerard van Nijmegen. Al hun collecties werden gevormd voor 1830.

Nagenoeg alle collecties werden na hun overlijden verkocht, waarvan de helft tussen 1808 en 1815. Dat Rotterdam deze verzamelingen niet voor de stad kon behouden, kwam onder meer doordat de stad geen openbare kunstinstelling had. Die zou er pas in 1849 komen, met de oprichting van Museum Boijmans. Veel werk raakte verspreid tot in Amerika toe, maar het belangrijkste kwam in Amsterdam terecht. De Rotterdamse gemeentearchivaris, Eppe Wiersum, wist dan ook vilein op te merken dat ‘wel het grootste deel en zeker het belangrijkste […] in Amsterdam terechtgekomen [is] en de bewoners der hoofdstad mogen bij het beschouwen hunner kunstschatten wel eens bedenken, dat een waarlijk niet gering gedeelte daarvan door Rotterdammers te Rotterdam is bijeengebracht.’[2]

Het schilderijenkabinet van Gerrit van der Pot van Groeneveld (1732-1807) was de belangrijkste schilderijenverzameling die Rotterdam ooit heeft bezeten.[3] Het was tevens de eerste collectie die in Rotterdam in de negentiende eeuw werd geveild. Het kabinet werd op 6 juni 1808 – feitelijk 7 juni want 6 juni bleek eerste Pinksterdag – in Rotterdam in het openbaar verkocht.[4]

Van der Pot, koopman en suikerraffinadeur van beroep, was in 1778 begonnen met het verzamelen van schilderijen. Hij wist in korte tijd een fraaie collectie aan te leggen die bekend werd in binnen- en buitenland. Geen buitenlander die Rotterdam bezocht en ook maar enige belangstelling voor kunst had, zou verzuimen de collectie te bekijken. En Van der Pot gaf graag toestemming aan iedereen die dat graag wilde. Hij was een vurig patriot en na de Pruisische inval in 1787 vluchtte hij naar Brussel, maar ook tijdens zijn afwezigheid werd zijn collectie nog bezocht door buitenlanders. Toen hij in 1795 weer terugkeerde naar Rotterdam kocht hij een fraai huis aan de Korte Hoogstraat, vestigde er zijn collectie en ontving iedereen die er belang in stelde.[5]

Het grootste en belangrijkste deel werd door Van der Pot gekocht op veilingen, waarvan hij overigens een deel weer verhandelde of ruilde. Een kleiner deel van de collectie kwam hem ‘aanwaaien’. Hij verwierf bijvoorbeeld een aantal schoorsteenstukken van Adam Pijnacker, Abraham Hondius en Egbert Lievensz. van der Poel, doordat ze in het huis aan de Korte Hoogstraat waren blijven hangen; vergeten of niet de moeite waard gevonden ze mee te nemen. Vijf schilderijen erfde hij via zijn eerste vrouw Alida Viruly: Een Mansportret, De Genezing van de schoonmoeder van Petrus, Samson en Delila en een Zelfportret van Joost van Geel, en een Portret van de moeder van Joost van Geel van Gabriël Metsu. Daarnaast erfde hij via zijn grootmoeder drie werken van de Rotterdamse kunstenaar Adriaan van der Werff: Portret van Gerard Visch, Portret van Ulricus Herman de Lange en een Mansportret, naast een geschilderd familiestuk van F. du Chattel met Daniel van Broekhuizen en Katharina Blauw met hun vier kinderen in een bos. Van de zijde van zijn tweede vrouw, Maria Elisabeth Brakel, kreeg hij enkele zeestukken van Abraham Stork en Leendert van Swijndregt toebedeeld, en zijn vader schonk hem een kerkgezicht van Emanuel de Witte en een mansportretje.[6] Van der Pot ontving in 1798 van de erfgenamen van zijn vriend Daniël de Jongh (1721-1796), die als patriot in Laken bij Brussel was overleden, De Mosselsteiger te Amsterdam van Ludolf Backhuysen. Het werk diende als een soort inlossing van schuld, omdat ten tijde dat De Jongh met Van der Pot in Brussel had gewoond hij ‘niets aan alle verteeringen of huishuur betaald had’.[7] In 1804 kreeg Van der Pot nog het schilderij Gezicht op de lustplaats Schoonenberg cadeau van zijn neef Gerard van Nijmegen en een jaar later mocht hij van een nicht nog twee landschapjes van Van Nijmegen ontvangen.[8] De lustplaats Schoonenberg was eigendom van Van der Pot. In 1768 had hij in het ambacht Schoonderloo de boerderij Meywijk gekocht en, met de daarbij gekochte landerijen, er een lustplaats van gemaakt.[9]

Maar het belangrijkste deel van de collectie kwam via aankopen op veilingen of bij particulieren tot stand. Hij gaf onder andere aan de kunstenaar Nicolaas Muys opdracht om aankopen voor hem te doen.[10] Van der Pot verwierf werk van vrijwel alle grote schilders uit de Gouden Eeuw: Gerard Dou, Ludolf Backhuysen, Nicolaas Berchem, Jan Both, Adriaan van de Velde, Jacob van Ruysdael, Philip Wouwerman, Willem van de Velde, Adriaan van der Werff, Jan van Huysum, Albert Cuyp, Jan Steen, Paulus Potter enzovoort.[11] Daarnaast zag Van der Pot gelegenheid om bij de openbare verkoping van aartshertogin Maria Christina in Brussel in maart 1793 stukken te verwerven die normaliter onbereikbaar zouden zijn geweest: vier kapitale jachtstukken van David de Koninck, een gobelin vermoedelijk van Guido Reni en twee marmeren vazen met verguld koperen bloemen. Maar het Hof verzocht hem vriendelijk om het gobelin, dat een geschenk van de paus aan de keizer was geweest, en de beide vazen weer aan de keizer tegen inkoopprijs af te staan, hetgeen Van der Pot bereidwillig deed.[12]

Van der Pot had daarnaast ook oog voor eigentijdse kunst, hoewel dat Rotterdams georiënteerd was. Hij had werk in de collectie van bijvoorbeeld de veeschilder, de ‘Utrechtse’ Jan Kobell (1778-1814) – die geboren was in Rotterdam, maar vanwege zijn woonplaats de ‘Utrechtse’ Kobell werd genoemd om onderscheid te maken met de Rotterdamse Jan Kobell – van Dirk Langendijk (1748-1805), Gerrit Groenewegen (1754-1826), Gerard van Nijmegen (1735-1808) en Nicolaas Muys (1740-1808).[13] Van der Pot had in 1782 aan Langendijk de opdracht gegeven tot het vervaardigen van drie schilderijen.[14] Het schilderij Een gezicht op de Leuvehaven vanaf de Zeevismarkt van Groenewegen (1782; nu Maritiem Museum Rotterdam) had Van der Pot in 1802 op een veiling gekocht, samen met het schilderij Gezicht op de Blaak vanaf de Zeevismarkt van Muys (1772; nu Museum Rotterdam). Het laatste schilderij werd op de veiling van 1808 door de Rotterdamse verzamelaar Thomas Theodore Cremer voor 319 gulden gekocht. Daarnaast had Van der Pot nog vier tekeningen – twee havengezichten en twee marines – van Groenewegen in zijn verzameling.[15]

Het kabinet van Van der Pot toont de achttiende-eeuwse voorkeur van Nederlandse verzamelaars. De nadruk was gaandeweg komen te liggen op Noord-Nederlandse italianiserende landschappen, verfijnd geschilderde genrestukken en fraaie stillevens, voornamelijk uit de tweede helft van de zeventiende en de eerste helft van de achttiende eeuw.[16]

De collectie Van der Pot werd in twee gedeelten geveild: op 28 oktober 1807 de prenten en tekeningen bij C. v.d. Dries & Zoon, en op 6 juni 1808 de schilderijen bij de stadsvendumeesters de gebroeders Van Ryp, allebei te Rotterdam.[17] Nadat bekend was dat de schilderijen onder de hamer zouden komen, kregen eerst de Rotterdamse inwoners en daarna bezoekers van buiten gelegenheid om de verzameling te komen bekijken. Om toegang te krijgen, moest men wel eerst een entreebewijs kopen.[18] De catalogus die in het Nederlands en in het Frans verscheen en 14 stuivers kostte ‘voor den Armen’, was behalve in Rotterdam en andere Hollandse steden ook verkrijgbaar in Parijs, Londen, Brussel, Frankfurt en Hamburg. Muys en Van Nijmegen hadden tevoren de schilderijen getaxeerd op 53.000 gulden. De veiling zou onder toezicht staan van de kunstenaars Gerard van Nijmegen, Nicolaas Muys en Willem van Leen,[19] en Muys en Van Nijmegen hadden tevoren de schilderijen getaxeerd op 53.000 gulden.[20] Van Nijmegen zou de verkoop niet meer meemaken, want hij overleed in mei 1808.

Het hele kabinet bracht 127.036 gulden op – dus ruim het dubbele – waarvan 100.000 gulden voor rekening van koning Lodewijk Napoleon kwamen.[21] In totaal werden 159 schilderijen verkocht, waarvan Lodewijk Napoleon – via stromannen – de belangrijkste 65 schilderijen tegen aanzienlijke prijzen had laten aankopen om ze te plaatsen in de in 1800 gestichte Nationale Konst-Galerij. Ongeveer tegelijk met de veiling, zomer 1808, verhuisde de Konst-Galerij – inmiddels Koninklijk Museum genoemd – van Huis ten Bosch in Den Haag naar het Paleis op de Dam in Amsterdam.[22]

Tot de door Lodewijk Napoleon aangekochte werken uit de collectie Van der Pot – die dus nu in het Rijksmuseum hangen – behoren onder andere De Avondschool van Gerrit Dou, De Leidse bakker Arend Oostwaert van Jan Steen, Een landschap van Paulus Potter, De Heilige familie van Adriaan van der Werff, De ingang van het bos van Philips Koninck, twee schilderijen van Willem van de Velde waaronder De Vierdaagse veldslag, De Berkenlaan van Jan Hackaert, De Reigerjacht van Philips Wouwerman, De Schilderswerkplaats van Adriaan van Ostade en Isaac zegent Jacob van Govert Flinck.[23] Met de aankoop van het kabinet Van der Pot was de collectie Nederlandse schilderijen in het Koninklijk Museum in één keer op hoog niveau gebracht.[24]

Portret van Gerrit van der Pot van Groeneveld door Dordtenaar Johan Bernard Scheffer (de vader van Ary Scheffer). Rechts midden is op de achtergrond De Avondschool van Gerard Dou afgebeeld en rechts op de voorgrond Van der Pots derde vrouw Wilhelmina Maria Catharina Pelerin. Rijksmuseum Amsterdam, vermoedelijk afkomstig uit de collectie Van der Pot van Groeneveld, inv.nr. SK-A-4151.

Het kunstkabinet van Gerard van Nijmegen (1735-1808), dat na zijn overlijden verkocht werd, was het tweede die eeuw dat onder de hamer kwam, en wel in Amsterdam bij kunsthandelaar C.S. Roos op 20 maart 1809. Van Nijmegen had als zoon van Dionijs van Nijmegen, schilder van zaal-en zolderstukken, les gehad van zijn vader en hem terzijde gestaan. Maar gaandeweg raakte deze interieurversiering, met name de zolderstukken, uit de mode en Van Nijmegen koos ervoor om als kunstschilder verder te gaan. Hij schilderde vooral bos- en bergachtige streken. Daarnaast vervaardigde hij ook portretten en hij etste eveneens naar eigen tekeningen en naar die van andere kunstenaars. Van Nijmegen was lange tijd tekenleraar bij het Teekengenootschap, en daarmee collega van August Christian Hauck en Cornelis Bakker. Zijn uitgebreide kunstverzameling omvatte tekeningen van vermaarde Hollandse en andere meesters. Onder de hamer kwam een ‘fraaye Verzameling van gecouleurde en ongecouleurde Teekeningen, door Nederlandsche en andere meesters’, naast een kunstkast en een grote collectie prenten van de hand van de belangrijkste graveerders, onder wie Nicolaas Berchem.[25]

Door de economisch steeds slechter wordende omstandigheden na de inlijving bij Frankrijk in 1810 bracht het kabinet slechts 28.750 gulden op. Dat niet alles van de hand ging, lag niet aan gebrek aan belangstelling, maar aan de economisch beroerde omstandigheden.[29] Veel ging voor spotprijzen van de hand en daar zou bijvoorbeeld verzamelaar Dirk Vis Blokhuijzen van profiteren (zie II Kunstverzamelaars 1800-1875). De erfgenamen toonden hun dankbaarheid dat de veiling in het Genootschapsgebouw had kunnen plaatsvinden door het Teekengenootschap de pleistergroep van Laocoön met zijn zonen te schenken, een afgietsel rechtstreeks van het antieke beeld. Daardoor kon het oude beeld, dat naar een kopie was gegoten en bovendien zonder zonen moest stellen, worden opgeruimd.[30]

De koopman Hendrik Verdonk (1743-1810), wiens boedel in 1811 werd geveild, had hoofdzakelijk oude meesters verzameld.[31] Toch bevonden zich in zijn collectie ook contemporaine werken, waaronder zeven academietekeningen van Job August Bakker (1796-1876). Dat waren drie tekeningen van vrouwelijke modellen en nog vier niet nader geduide ‘academiebeeldjes’, dus eveneens figuurstudies.[32] De in 1796 geboren Job August moet deze op ongeveer 13-jarige leeftijd bij het Teekengenootschap hebben vervaardigd. Ze moeten van zodanige kwaliteit zijn geweest, dat Verdonk ze in zijn kunstverzameling opnam.

‘Beroemd was het Schilderijen-Kabinet’ van de koopman en kapitein van de Rotterdamse schutterij Thomas Theodore Cremer (1743-1815) dat omschreven werd als ‘een uitmuntend Kabinet SCHILDERYEN’. Zijn collectie, die op 16 april 1816 werd verkocht onder toezicht van Willem van Leen en Willem Adriaan Netscher, bestond uit 137 stukken, waaronder Een kabbelend water van Ludolf Backhuysen, Een dame die bij haar ledikant zit te slapen van Gerard Metzu, Een apothekerswinkel van Willem van Mieris, Een jonge dame in haar slaapkamer van Eglon van der Neer – nu: Interieur met handenwassende vrouw (1675; Mauritshuis Den Haag) – Een melkster bij haar vee van Paulus Potter, De inscheping van Willem III voor Hellevoetsluis van Willem van de Velde en een genrestukje met een op tafel liggend hondje naast een rood aarden doofpot, een takkenbos en enkele vissen van Gerard Dou – nu: Slapende hond (1650; Museum of Fine Arts Boston) –, Zelfportret van de schilderes Maria Schalcken in haar atelier (ca. 1680; Museum of Fine Arts Boston) en Landschap van Meindert Hobbema. Een bergachtig landschap van Adriaan van de Velde werd op de veiling verkocht voor ruim 2000 gulden. Ook bevond zich in zijn collectie werk van Gerrit Groenewegen, Nicolaas Muys, Dionijs van Nijmegen en zijn zoon Gerard van Nijmegen. Het belang van de collectie werd aangetoond doordat de catalogus niet alleen in het Nederlands en het Frans verscheen, maar ook in het Engels.[33]

Op 22 april 1818 werd de collectie van Gijsbertus Johannes van den Berg (1769-1817) geveild. Hij was, net als Gerard van Nijmegen, behalve kunstschilder – vooral miniatuurportrettist – ook kunstverzamelaar. Hij was tevens tekenleraar bij het Teekengenootschap en daarmee collega van Cornelis Bakker. Zijn verzameling bestond uit schilderijen, tekeningen en prenten, en omvatte uiteraard een ‘uitmuntende’ miniaturencollectie. Ook hij had eigentijdse tekeningen verzameld van Gerrit Groenewegen, Johannes Bemme, Dirk Langendijk en diens zoon Jan Anthonie Langendijk. De collectie werd geveild onder directie van de kunstenaars Willem van Leen en Ary Lamme.[34] Zijn zoon, Jacobus Everhardus Josephus (1802-1861) zou ook kunstenaar worden, maar was vermoedelijk op dat moment nog te jong om zich over de verzameling te ontfermen.

Willem Baartz (1766-1825) was makelaar en tevens bestuurslid van het Teekengenootschap. Hij was in 1781 op voordracht van tekenleraar August Christian Hauck lid geworden van het Genootschap.[35] Hij bezat enkele schilderijen van Johannes Christiaan Schotel (Een Gezicht op de Zeeuwse stromen, Een Zeehaven en Gezicht op Vlissingen), Een Hollands landschap van Jacob van Strij ‘dat uitmunt door warmte en fijnheid van toon en natuurwaarheid’, en Een Stadsgezicht van Jan Hendrik Verheyen. Maar zijn collectie bestond hoofdzakelijk uit tekeningen van belangrijke oude meesters: Ludolf Backhuysen, Nicolaas Berchem (Het wed; ‘uitmuntend fraai’), Jan Luijken, Adriaan van Ostade (Interieur en Twee mannen met een varken), Jacob de Wit, Adriaan Bloemaert, Cornelis Dusart (Een dorpsfeest; ‘zeldzaam fraai’), Rembrandt (Studiën met de pen, ‘diens Westerkerkstoren is een juweeltje’, en Christus predikende op het kleine graf), Willem van de Velde, Anthonie Waterloo (drie stuks), Philip Wouwerman (Een winter) en vele andere.[36] Daarnaast had ook hij eigentijdse tekeningen van Jan Kobell en Gerrit Groenewegen, en van Dirk Langendijk Een terugtrekkend leger, Een uitval bij nacht, Een gekwetst bevelhebber, en twee aquarellen van de Rumfordse soepkokerij aan het Grotekerkplein (de twee aquarellen, nu: Stadsarchief Rotterdam).[37]

De collectie werd door zijn zoon Willem Baartz (1798-1860) voortgezet en uitgebreid met contemporain werk van onder anderen Andreas Schelfhout, Ferdinand de Braekeleer, Johannes Bosboom, Barend Cornelis Koekkoek en Wijnand Nuyen.[38] Hoewel Baartz kinderen had die zich interesseerden voor kunst – een dochter trouwde in 1866 met een zoon van Ary Lamme – werd kort na diens overlijden de collectie op 6 juni 1860 door de kunsthandelaar Ary Lamme verkocht. Het schilderij dat het meeste opbracht, 1325 gulden, was Gezicht op Vlissingen van Schotel dat als topstuk werd beschouwd. Het stuk van Van Strij deed 725 gulden en dat van Verheyen 375 gulden. Rembrandts tekening van Christus predikende, voorstudie voor de ets, bracht 535 gulden op en diens Westerkerkstoren 100 gulden, de Wouwerman 300 gulden, Dusart 310 gulden, Van Ostade (het varken) 250 gulden. Daarentegen leken de legertekeningen van Langendijk tegen te vallen; respectievelijk 127, 81 en 100 gulden. Tot tevredenheid werd het volgende geconstateerd: ‘Wij vernemen met genoegen dat bijna al de verkochte kunstwerken in het Land blijven en voornamelijk voor bekende kunstverzamelingen zoo hier ter stede als te Amsterdam zijn aangekocht.’[39]

Abraham Gevers Arnz. (1742-1827) was commissaris van de posterijen in Holland en president van het ‘Tribunal’.[40] Hij was een achterkleinzoon van de Rotterdamse schilder Adriaan van der Werf.[41] Het was dus niet verwonderlijk dat er zich werken van zijn overgrootvader in zijn collectie bevonden. Daartoe behoorde, behalve een aantal schetsen, het ‘alom beroemde familiestuk van den Ridder Adriaan van der Werff’ – nu: Zelfportret met het portret van zijn vrouw Margaretha van Rees en hun dochtertje Maria (1699; Rijksmuseum Amsterdam). Na het overlijden van Gevers werden zijn werken in zijn sterfhuis aan het Haringvliet op 24 juli 1827 verkocht onder directie van Ary Lamme. Zijn schilderijen vormden een ‘fraai’ kabinet met behalve het genoemde familiestuk, een ‘zeldzaam’ Italiaans landschap van Nicolaas Berchem – nu: De drie kuddes (1656; Rijksmuseum Amsterdam) – en enkele schilderijen van Jan Weenix. Ook bestond de collectie uit een verzameling tekeningen van de hand van Paulus Gevers en tekeningen van diverse andere kunstenaars.[42] Of zich daarin werk bevond van contemporaine Rotterdamse kunstenaars is onbekend.

De schilderijen brachten op de veiling in totaal bijna 17.000 gulden op. Het familiestuk leverde werd verkocht voor het enorme bedrag van 6000 gulden. Eenzelfde bedrag werd ook neergeteld voor het landschap van Berchem. Beide werken werden gekocht door Ary Lamme ‘voor rekening van’ de koning – en dus, gezien hun huidige verblijfplaats, voor het Koninklijk Museum – ‘hetwelk aan de aanzienlijke menigte van kunstkenners, die deze verkooping te zamen gebragt had, geen gering genoegen verschafte, daar men ongaarne beide meesterstukken dit land zou hebben zien verlaten’.[43]

Aernout van Beeftingh (1759-1831), werkte bij de Admiraliteit van Rotterdam en vervulde verschillende functies, zoals de vroedschap in 1787 ter vervanging van de prinsgezinde raden. Aanvankelijk stond Van Beeftingh aan partiotse zijde, maar in 1787 ondertekende hij als burgemeester ook het besluit om de stadhouder te herstellen. Toen de patriotten het in 1795 weer voor het zeggen kregen, bleef Van Beeftingh buiten openbare ambten. In 1795 verdween hij uit het openbare leven en werd toen aangeduid als ‘koopman’.[44] Daarnaast was hij enorm actief binnen het Teekengenootschap en hij werkte nauw samen met de tekenleraren. Hij begon als werkend lid, maar was ook het brein achter de ‘Publiek Academie’ – een afdeling binnen het Teekengenootschap speciaal voor ambachtsjongens –, zette het huishoudelijk reglement op, stelde prenten en tekeningen beschikbaar voor de kunstbeschouwingen en schonk pleister hoofden aan het Teekengenootschap.[45] Zijn gezin werd vastgelegd op een fraai schilderij door Nicolaas Muys (1797; Rijksmuseum Amsterdam)[46] die hij kende in zijn functie van tekenleraar bij het Teekengenootschap.

Van Beeftingh had een fraaie en tamelijk uitgebreide kunstverzameling bestaande uit schilderijen en tekeningen. Hij bezat ook eigentijds werk van Dirk Langendijk, Gerrit Groenewegen, Gerard van Nijmegen en Willem van Leen.[47] In een testament liet hij onder andere de familieportretten na aan zijn zoon. Verder bepaalde hij dat zijn verzameling zo snel mogelijk na zijn overlijden verkocht zou moeten worden en wel onder directie van Nicolaas Muys en Willem van Leen.[48] Maar Muys was al in 1808 overleden en Van Leen in 1825. Op 30 april 1832 werden zijn nagelaten schilderijen dan ook ten huize van de kunstschilder Ary Lamme openbaar verkocht.[49] De catalogus omvat 224 werken. De verzameling komt overeen met veel laat achttiende-eeuwse collecties. Het merendeel bestond uit werk van of naar zeventiende-eeuwse Hollandse schilders met een zekere nadruk op het landschap- en genrestuk. Ook waren italianisanten als Jan Weenix vertegenwoordigd.[50] Uit zijn collectie is onder andere het schilderij Hertenjacht in een bos van Jan Hackaert (nu: Mauritshuis Den Haag) bekend dat gekocht werd door Ary Lamme. Biddend huisgezin, zittend aan eene van spijzen voorziene tafel van Jan Steen werd op de veiling verkocht voor 1060 gulden.[51]

Makelaar Gerrit van der Pals (1754-1839) legde de grondslag voor zijn collectie door uit de nalatenschap van de schilderijenverzameling van de Rotterdammer Jan Bisschop (1680/81-1771) in 1771 enige tekeningen en schilderijen aan te kopen.[52] De collectie groeide uit met schilderijen van voornamelijk Hollandse oude meesters: Nicolaas Berchem, Jan Asselijn, Ludolf Backhuysen, Jacob Ruysdael, Adriaan van de Velde, Philip Wouwerman en vele anderen. Daarnaast bezat hij een collectie ets- en graveerkunst, maar veel uitgebreider was zijn verzameling tekeningen, waaronder werk van oude meesters, maar ook van eigentijdse kunstenaars. Van de laatsten bezat hij werk van Dirk Langendijk en de veeschilder Jacob Kouwenhoven – die beiden veel voor Van der Pals in opdracht vervaardigden – van Hendrik Kobell, Ary Lamme en Gerrit Groenewegen.[53] Daarnaast bevond er zich in zijn collectie ook een ‘fraai Schilderijtje van dezen aankomenden Meester’, met wie de jonge Job August Bakker werd bedoeld.[54] Uit de veilingcatalogus blijkt echter dat Van der Pals twee ongedateerde paneeltjes van Job August Bakker in zijn collectie had (beide 28 x 35 cm) voorstellende Un Paysage avec une vache et plusieurs moutons; un paysan, adossé contre un arbre, est occupé à boire en Dans un Paysage sablonneux et d’un terrain inegal sont placées deux vaches, quelques moutons et une figure de femme ou marchande de possoin. Beide werden in 1824 met de schilderijencollectie van Van der Pals verkocht.[55]

Van der Pals zelf was een verdienstelijk tekenaar. Hij had les gehad van de ‘kladschilder’ Reinier van Eybergen, vervolgens drie jaar van Robbert Muys (de broer van Nicolaas Muys) en daarna van de zee- en scheepsschilder Hendrik Kobell, in wiens trant hij tekende. Ook maakte hij tekeningen naar schilderijen van bijvoorbeeld Ludolf Backhuysen die door de graveur Matthias de Sallieth in koper werden overgebracht en die vervolgens in 1783 werden uitgebracht onder de titel De Hoek van Holland.[56] Veel later kreeg Van der Pals nog les van Dirk Langendijk met wie hij een vriendschappelijke relatie zou onderhouden. Op het moment dat Langendijk in zijn latere leven in geldnood kwam, hielp Van der Pals hem uit de brand. Van der Pals was eveneens zeer bevriend met Van der Pot van Groeneveld.[57]

Van der Pals was ook actief binnen het Teekengenootschap, onder andere als bestuurder en als initiatiefnemer van de jaarlijkse openbare prijsuitreiking waarmee hij op die manier het tekenonderwijs onder de aandacht wilde brengen van de Rotterdamse bevolking. Sinds 1775 was hij ook werkend lid, dit wil zeggen dat hij ook daadwerkelijk tekende op de tekenavonden.[58]

In 1810 verliet Van der Pals de stad en ging op de boerderij Vrijenban wonen die hij had aangekocht. Vervolgens kon hij in 1818 de ernaast gelegen buitenplaats Veelzigt erbij kopen, die hij al vanaf 1816 huurde. Beide waren gelegen aan de Schie in de polder Delfgauw tussen Zweth (bij Overschie) en Delft. In 1818 tekende Van der Pals zelf vanuit zijn theekoepel Veelzigt met het uitzicht over de Schie.[59]

Job August Bakker had al eerder, in 1817, in één tekening zowel de boerderij als de buitenplaats vastgelegd, gecombineerd met zijn specialisme het veestuk. Vermoedelijk was het in opdracht van Van der Pals. Die was namelijk apetrots, toen al in 1817 bleek dat hij de buitenplaats, waar hij geruime tijd op zat te azen, zou kunnen kopen.[60] Job August Bakker was bij Van der Pals bekend. Die had werk van hem in de collectie. Bovendien kende hij de familie Bakker. Job August Bakker was leerling geweest van het Teekengenootschap en sinds 1816 was hij er docent perspectief. Diens vader, Cornelis Bakker, was er tekenleraar sinds 1795 als opvolger van zijn schoonvader August Christian Hauck, die er vanaf 1778 tekenleraar was geweest. Vermoedelijk heeft Van der Pals, sinds 1775 werkend lid, zowel les gehad van Hauck als van Cornelis Bakker.[61]

Job August Bakker, Boerderij Vrijenban en buitenplaats Veelzigt, 1817, tekening in kleur (Stadsarchief Rotterdam, inv.nr. RISCH-148). De tekening is afgebeeld in het Rotterdamsch Jaarboekje 1922 bij het artikel over Van der Pals, maar zonder vermelding van de vervaardiger.
Gerrit van der Pals, Uitzicht over de Schie vanuit de theekoepel op de buitenplaats Veelzigt, 1818, tekening in kleur (Stadsarchief Rotterdam, inv.nr. 1982-2580)

Al geruime tijd voor zijn overlijden verkocht Van der Pals in 1824 zijn schilderijenkabinet dat onder directie van Willem van Leen en Ary Lamme op 30 augustus werd geveild.[62] Of bij de verkoop ervan financiële redenen een rol speelden, is onbekend. Wat de totale opbrengst was, is evenmin bekend. In elk geval bracht het kapitale schilderij Brabants landschap, in den omtrek van Antwerpen van Adriaan van de Velde de aanzienlijke som op van 10.000 gulden.[63] In 1839 werd er blijkbaar nog een restant schilderijen van Van der Pals verkocht, gecombineerd met nalatenschappen van de kunstschilder Taco Scheltema en anderen. Bij die veiling werd een veestuk van Job August Bakker verhandeld dat omschreven werd als een ‘fraai geschilderde en een der beste van dezen meester’.[64] De collectie tekeningen en prenten, benevens prentwerken en rariteiten, werden op 1 april 1840 geveild door Ary Lamme.[65] Zelf kocht Ary Lamme uit die collectie tekeningen van de Rotterdamse kunstenaar Gerrit Groenewegen.[66]

De onderstaande collectioneurs – een volgende generatie – vormen een nieuwe groep, doordat ze zich zonder uitzondering richtten op het verzamelen van werk van eigentijdse kunstenaars. De prijs van werk van meesters uit de Gouden Eeuw was gaandeweg dusdanig gestegen dat aankoop ervan niet meer voor elke verzamelaar bereikbaar was. Dus legde de nieuwe generatie zich meer toe op het collectioneren van werken van laat achttiende-eeuwse kunstenaars en van tijdgenoten. Daarin bevond zich ook werk van Jan Hendrik van de Laar en Job August Bakker.

Christiaan Bernet (1770-1832), koopman in glas, porselein en aardewerk, bracht een aanzienlijke verzameling bijeen van de laat achttiende-eeuwse schilders Balthasar Paul Ommeganck (Een landschap met vee), Michiel Versteeg (Binnenkamer met kaarslicht en dood wild), Abraham en Jacob van Strij, Jan Kobell van Utrecht (Hollands landschap met vee), Johannes Christiaan Schotel (Een hevige storm op de Zeeuwse stromen), en van de tijdgenoten Andreas Schelfhout, Ary Scheffer, Ferdinand de Braekeleer, Gustaf Wappers, Jozef Moerenhout, Eugène Verboeckhoven en vele anderen.[67] Zijn collectie, die uit 120 schilderijen bestond, werd op 20 juni 1833 geveild door kunsthandelaar Ary Lamme. Het hele kabinet bracht bijna 20.000 gulden. De duurste schilderijen waren die van Versteeg (1635 gulden), Kobell (1410 gulden), Schotel (1305 gulden), Ommeganck (1010 gulden) en Schelfhout (950 gulden).[68]

Helaas is op de collectie van Bernet na van de andere drie verzamelaars nauwelijks iets bekend over de samenstelling ervan. Van de koopman Franciscus Marinus Netscher (1782-1829) weten we niet meer dan dat hij een ‘aanzienlijke’ verzameling had van ‘fraaije […] schilderijen en teekeningen’ die op 8 en 9 april 1829 geveild werd door Ary Lamme.[69] De ‘fraaije’ verzameling van Jan Willem Tollens (1786-1833), koopman in verfwaren en broer van de dichter Hendrik Tollens, kende oude en hedendaagse ‘beroemde’ meesters en werd op 6 en 7 april 1636 bij Ary Lamme geveild.[70] Laken- en zijdehandelaar Herman Bezoet de Bie (1791-1834) en brander en distillateur Johannes Cornelis de Bie (1774-1840) brachten samen een ‘fraaije verzameling schilderijen van beroemde hedendaagsche meesters’ bij elkaar. Ze kwam op 26 oktober 1840 bij Ary Lamme onder de hamer.[71] Daarin bevonden zich vier werken van Jan Hendrik van de Laar, die toen nog aan het begin van zijn carrière stond, en die tussen 1830 en 1836 door Bezoet de Bie werden aangekocht: De jonge Brouwer krijgt bij Frans Hals te wijde kleren aan (1830), Een episode van een watersnood (1832), Een oude visser met twee kinderen (1834) en Een binnenplaats met figuren (1834). Van Job August Bakker kochten ze een ‘wel uitgevoerd en krachtig behandeld’ schilderijtje van Een gitaar spelende dame.[72]


[1] Roeland van Eynden en Adriaan van der Willigen, Geschiedenis der Vaderlandsche Schilderkunst, sedert de helft der XVIII eeuw, 3 (Haarlem 1816-1840) 480-481; E. Wiersum, ‘De brieven van Pieter Joseph Thijs aan Gerrit van der Pot van Groeneveld’, in: Rotterdams Jaarboekje (Rotterdam 1932) 14.

[2] Wiersum, (1932) 14.

[3] J.A. Bakker, De oorsprong er Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen te Rotterdam aangetoond in de geschiedenis van het Teekengenootschap “Hierdoor tot Hooger” (Rotterdam 1900) 22.

[4] Wiersum (1932) 7, noot 1. Van der Pot van Groeneveld trouwde driemaal. De eerste twee huwelijken bleven kinderloos, uit het derde werd een dochtertje geboren, maar dat overleed al kort na de geboorte.

[5] E. Wiersum, ‘Het ontstaan van de verzameling schilderijen van Gerrit van der Pot van Groeneveld te Rotterdam’, in Oud Holland 48 (1931) (201-214) 201-202.

[6] Wiersum (1931) 206-207. Zie voor Joost van Geel: P. Haverkorn van Rijsewijk, ‘Joost van Geel’, in: Oud Holland 16 (1898) 32-50.

[7] Wiersum (1931) 212; Wiersum (1932) 10.

[8] Wiersum (1931) 206-207 en 212.

[9] Wiersum (1932) 7 en noot 4. Van der Pot zou drie schilderijen van Gerard van Nijmegen met Schoonenberg als onderwerp in bezit hebben gehad.

[10] Wiersum (1931) 211.

[11] Van Eynden en Van der Willigen 3 (1816-1840) 436-437 en 478-479; Wiersum (1931) 204; ‘Het Gouden Feest van het Rijksmuseum, 1885-13 juli-1935’, in: Het Vaderland, 10 juli 1935. In 1815 werd het museum ondergebracht in het Trippenhuis en zou in 1885 Rijksmuseum Amsterdam gaan heten.

[12] Wiersum (1931) 211.

[13] Van Eynden en Van der Willigen 2 (1816-1840) 361 (over Langendijk), 301-302, 247-254 (over Van Nijmegen en Muys), dl. 3 p. 479 (over Kobell); Fr.D.O. Obreen, Rotterdamsche Historiebladen, I (Rotterdam 1880) 654 (over Van Nijmegen); Wiersum (1931) 204, 207, 209 en 212 (over Van Nijmegen); M. E. Deelen, A.M. Meyerman, M.C. Plomp, P. Ratsma, Dirk Langendijk (1748-1805), tekenaar tussen kruitdamp en vaderlands gevoel (1982) 14; P. Ratsma, ‘De Rotterdamse tekenaar Gerrit Groenewegen (1754-1826), in: Rotterdams Jaarboekje (1977) 168.

[14] Wiersum (1931) 210-211.

[15] Ratsma (1977) 168-169, noot 102 en 103; zie voor de vier tekeningen p. 177, noot 85; en RKD.

[16] Frans Grijzenhout, Een koninklijk Museum. Lodewijk Napoleon en het Rijksmuseum 1806-1810 (Zwolle 1999) 50.

[17] Opregte Haarlemsche Courant, 12-4-1808 en 26-5-1808; Ratsma (1977) 179, noot 107 en 109.

[18] Wiersum (1931) 202.

[19] Opregte Haarlemsche Courant, 12-4-1808 en 26-5-1808.

[20] Wiersum (1932) 8; Ratsma (1977) 168.

[21] Van Eynden en Van der Willigen 3 (1816-1840) 436-437 en 478-479; Wiersum (1932) 8.

[22] Grijzenhout (1999) 12.

[23] Wiersum (1931) 207-213; Grijzenhout (1999) 46-49.

[24] Grijzenhout (1999) 49. Zie voor de schilderijenverzameling en het Rijksmuseum behalve Wiersum (1931) ook Tim Zeedijk, ‘ “Tot voordeel en genoegen”: de schilderijenverzameling van Gerrit van der Pot van Groeneveld’, in: Bulletin van het Rijksmuseum 55 (2007) 128-207.

[25] Rotterdamsche Courant, 14-03-1809; Van Eynden en Van der Willigen 2 (1816-1840) 247-254; A.J. van der Aa, Biographisch Woordenboek der Nederlanden 13 (1868) 422; https://www.dbnl.org/titels/titel.php?id=aa__001biog00

[26] Frans Grijzenhout, ‘Ballingschap in beeld, of: Belisarius in Holland’, in: De Achttiende Eeuw 38 (2006) 146; https://www.dbnl.org/tekst/_doc003200601_01/_doc003200601_01_0015.php

[27] Van Eynden en Van der Willigen, 2 (1816-1840) 185 en dl. 3, p. 441.

[28] Rotterdamsche Courant, 4-1-1810, 27-2-1810 en 28-7-1810; Veiling van de schilderijen en tekeningen uit de verzameling van Daniël de Jongh Az. bij gebr. Van Rijp te Rotterdam, 26 maart 1810 (Rotterdam 1810).

[29] Van Eynden en Van der Willigen 3 (1816-1840) 440-441.

[30] Bakker (1900) 35.

[31] Rotterdamsche Courant, 26-3-1811.

[32] Catalogus van eene fraaije verzameling zoo gekouleurde als ongekouleurde teekeningen, alsmede eene groote collectie van fraaije prenten en pourtraiten […] eenige fraaije schilderyen […] grootendeels byeenverzameld en naargelaten door den kunstlievenden heer Hendrik Verdonck […] [Rotterdam 1811].

[33] Catalogus van het uitmuntend Kabinet Schilderyen […] den wel Edelenheer Thomas Theodore Cremer, 16 avril 1816. Rotterdam, van den Dries, 1816 (Rotterdam 1816); Van Eynden en Van der Willigen 3 (1816-1840) 450-451; Rotterdamsche Courant, 9-3-1816; Van der Aa, 19 (1876) 68; Obreen, I (1880) 604, 647, 654-655; Wiersum (1932) 10 en 14.

[34] Rotterdamsche Courant, 31-3-1818; Catalogus van schilderijen, miniaturen, teekeningen en prenten gedeeltelijk nagelaten door wijlen den Kunstschilder G.J. van den Berg door Petrus Eliza van Ryp (Rotterdam [1818]); Van der Aa 2 (1854) 369.

[35] Stadsarchief Rotterdam, Resolutieboek van het Konst Genoodschap onder de zinspreuk Hierdoor tot Hooger beginnende met 16 Juny 1773 (typoscript) inv.nr. XX C 29.

[36] Van Eynden en Van der Willigen, 3 (1816-1840) 479-480 en dl. 4, p. 19; Rotterdamsche Courant, 2-6-1860.

[37] Van Eynden en Van der Willigen 2 (1816-1840) 359 (over Langendijk) en dl. 3, p. 66 (over Groenewegen); Hazewinkel (1955) 128-129; Ratsma (1977) 166 en 170.

[38] Rotterdamsche Courant, 7-5-1860, 21-5-1860, 30-5-1860 en 2-6-1860.

[39] Rotterdamsche Courant, 9-6-1860.

[40] Wiersum (1932) 10.

[41] E. Wiersum, ‘Ridder Adriaen van der Werff’, in: Rotterdamsch Jaarboekje (1927) 10. Zijn vader Arnout Gevers was getrouwd met Margaretha Maria Brouwer die een dochter was van Maria van der Werff, de dochter van Adriaan van der Werff.

[42] Rotterdamsche Courant, 26-7-1827; Opregte Haarlemsche Courant, 7-7-1827; Wiersum (1927) 10.

[43] Rotterdamsche Courant, 26-7-1827.

[44] A.M. Meyerman, N.I. Schadee en Ch. Tiels, Aangenaam gezelschap zes conversatiestukken van Nicolaas Muys (Rotterdam 1992) 45-46.

[45] Zie: Bakker (1900) 8-10, 12, 14, 16-18, 29, 32, 35, 37, 40, 42, 46, 51; Wilma van Giersbergen, Rotterdamse Meesters. Twee eeuwen kunstacademie in Rotterdam 1773-1998 (Rotterdam 2012) 22-23 en 26-28.

[46] Zie Meyerman e.a. (1992) 44-50; particuliere collectie, in bruikleen aan het Rijksmuseum Amsterdam.

[47] Van Eynden en Van der Willigen 3 (1816-1840) 66 en 480, dl. 4, p. 40; H.C. Hazewinkel, ‘Dirk en Jan Anthonie Langendijk en Christoffel Meijer’, in: Rotterdams Jaarboekje (1955) 128; Meyerman e.a. (1992) 47.

[48] Meyerman e.a. (1992) 47.

[49] Van Eynden en Van Willigen 4 (1816-1840) 41.

[50] Meyerman e.a. (1992) 47.

[51] J. Immerzeel, De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters van het begin der vijftiende eeuw tot heden I (Amsterdam 1842-1843) 36.

[52] E. Wiersum, ‘Uit het dagboek van Gerrit van der Pals’, in: Rotterdamsch Jaarboekje (1922) 4.

[53] Van Eynden en Van der Willigen 2 (1816-1840) 359 (over Langendijk) en 374 (over Hendrik Kobell), dl. 3, p. 220 (over Kouwenhoven) en p. 477-478 (oude meesters, H. Kobell, Langendijk), dl. 4, p. 72 (over Langendijk); Van der Aa 15 (1872) 68; E. Wiersum, ‘Uit het dagboek van Gerrit van der Pals’, in: Rotterdamsch Jaarboekje (1922) 7; Hazewinkel (1955) 127; Ratsma (1977) 166.

[54] Van Eynden en Van Willigen 3 (1816-1840) 307; de auteurs zelf bezaten ook een schilderijtje van J.A. Bakker, gedateerd 1817.

[55] Catalogue d’une tres belle collection de Tableaux, de monsieur Gerrit van der Pals […] [Rotterdam 1824] 4; Wilma van Giersbergen, Op zoek naar werk. De productieve kunstenaarsfamilies Hauck-Bakker-Van de Laar in Rotterdam 1770-1920 (Rotterdam 2018) Bijlage 7.

[56] Van Eynden en Van der Willigen, 3 (1816-1840) 478, dl 4, p. 71 en p. 185; Van der Aa 15 (1872) 68; Wiersum (1922) 4-5 en 7.

[57] Van der Aa 15 (1872) 68; Wiersum (1922) 7; Hazewinkel (1955) 127.

[58] Van Eynden en Van der Willigen 4 (1816-1840) 71; Zie voor Van der Pals: Van Giersbergen (2012) 28-29, 51 en 63.

[59] Wiersum (1922) 8, 11.

[60] Wiersum (1922) 11.

[61] Van Giersbergen (2018) 77-117.

[62] Opregte Haarlemsche Courant, 12-8-1824. Van der Pals had een dochter die de volwassen leeftijd bereikte. Zij huwde met de kunstschilder G.J. Verburgh, die les had gehad van Hauck (Van der Aa, dl. 19, 1876, 133)

[63] Van der Aa 19 (1876) 68; Wiersum (1922) 10.

[64] Catalogus van eene aanzienlijke partij schilderijen, door beroemde oude en hedendaagsche Meesters; miniaturen, teekeningen, prenten, prentwerken, schilderboeken en schildergereeschappen; afkomstig uit onderscheidene Nalatenschappen, als: van wijlen de weledele Heeren Gerrit van der Pals, Taco Scheltema en anderen [Rotterdam] 1839) 4.

[65] Rotterdamsche Courant, 26-3-1840.

[66] Ratsma (1977) 177, noot 84.

[67] Rotterdamsche Courant, 25-4-1833.

[68] Nederlandsche Staatscourant, 1-7-1833.

[69] Rotterdamsche Courant, 24-3-1829 en 7-4-1829; Nederlandsche Staatscourant, 9-3-1829.

[70] Rotterdamsche Courant, 26-3-1836 en 5-4-1836; Catalogus van eene aanzienlijke verzameling schilderijen, door beroemde oude en hedendaagsche Meesters, waarvan vele in ouderwetsche vergulde lijsten, alsmede eenige Teekeningen en Prenten, grootendeels nagelaten door wijlen den Weledelen Heer Jan Willem Tollens ([Rotterdam] 1836).

[71] Catalogus van eene fraaije verzameling schilderijen, door hedendaagsche Meesters, als mede van eenige teekeningen, nagelaten door wijlen de wel edele Heeren Johannes Cornelis de Bie en Herman Bezoet de Bie ([Rotterdam] 1840); Rotterdamsche Courant, 26-9-1840 en 5-10-1840; Wiersum (1932), 16, noot 1 (beroep Herman Bezoet de Bie).

[72] Zie Van Giersbergen (2018) 137, Bijlage 8 (cat.nr. 34) en Bijlage 10 (cat.nrs. 3, 12, 30, 31 en 47).

Het standbeeld van de dichter Hendrik Tollens (1780-1856) in Rotterdam 1860

Wilma van Giersbergen – Het standbeeld van de dichter Hendrik Tollens in Rotterdam 1860

Terwijl in de tweede helft van de negentiende eeuw de historieschilderkunst afnam, zien we tegelijkertijd de oprichting van standbeelden van onze nationale helden en de opkomst van herdenkingen van nationale gebeurtenissen. Een van de eerste standbeelden in Nederland was dat van Michiel de Ruyter in 1841 in Vlissingen, vervaardigd door hofbeeldhouwer Louis Royer. Andere belangrijke beelden tussen 1841 en 1870 zijn die van Willem van Oranje als krijgsman te paard aan het Noordeinde in Den Haag (Émile de Nieuwerkerke, brons, 1845) en als staatsman op het Plein eveneens in Den Haag (Royer, brons, 1848), Rembrandt in Amsterdam (Royer, gietijzer, 1852), koning Willem II in Den Haag (Edouard François George, brons, 1853), Laurens Jansz. Coster in Haarlem (Royer, brons, 1856), Hendrik Tollens in Rotterdam (Stracké, marmer, 1860) en Joost van den Vondel in het Amsterdamse Vondelpark (Royer en Stracké, brons, 1867).[1] Opvallend is dat Tollens het enige standbeeld is dat – niet zonder reden – van marmer is en niet van metaal. Bovendien is het – samen met koning Willem II – een eigentijds standbeeld. De andere helden dateren uit een ver verleden.

De oprichting en plaatsing van de genoemde standbeelden leverden de nodige discussie op en ook de voorbereidingen voor de nationale herdenkingen verliepen niet altijd probleemloos. Gezindte en politieke kleur van de initiatiefnemers speelden daarbij een grote rol. Grote nationale herdenkingen waren de Vondelherdenking (1853), het Herstel van de Onafhankelijkheid (1863) die de beeldengroep op Plein 1813 in Den Haag opleverde, 300 jaar Slag bij Heiligerlee (1868) en 300 jaar Inname van Den Briel (1872).

Als kunstenaar werkte Jan Hendrik van de Laar mee aan de feestelijkheden voor de Vondelherdenking in 1853 en aan die voor de onthulling van de standbeelden van Rembrandt in 1852 en Tollens in 1860. Vooral met de opdracht voor de onthulling van Tollens zal hij zeer verguld zijn geweest.  Tollens was immers zijn grote voorbeeld en diens verzen dienden als voorbeeld voor verschillende van zijn historische onderwerpen.[2]   


Ontwerp voor de onthulling voor het standbeeld van Hendrik Tollens door Jan Hendrik van de Laar, ca. 1860 (Stadsarchief Rotterdam, Archief van de kunstschildersfamilies Hauck, Bakker en Van de Laar, inv.nr. 5195_30-12)

Voorbereidingen voor het standbeeld

In 1850, toen Hendrik Tollens zijn zeventigste verjaardag vierde, werd hem het Commandeurskruis in de orde van de Nederlandsche Leeuw uitgereikt. De Rotterdamse beeldhouwer Johann Theodor Stracké vervaardigde voor die gelegenheid een marmeren buste van Tollens. Bovendien werd er een Tollensfonds opgericht onder andere ter ondersteuning aan ‘ongelukkig geworden Prozaschrijvers en Dichter.’ Helaas strandde dat idee bij gebrek aan geldelijke ondersteuning.[3]

Direct na Tollens’ overlijden op 21 oktober 1856 ontstonden er in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam initiatieven tot oprichting van een standbeeld. Hoewel Tollens als een zeer bekend Nederlands volksdichter werd aangemerkt – hij was onder andere de auteur van Wien Neêrlandsch bloed dat van 1817 tot 1932 het nationale volkslied was – kwam het niet tot een nationaal gebeuren. Alleen in Rijswijk, waar Tollens sinds 1846 woonachtig was, en in Rotterdam, waar hij was geboren en had gewoond, had men behoefte aan een monument. Er werd daarom een Rotterdamse en een Haagse commissie in het leven geroepen met als doel gelden voor de gedenktekens in de beide plaatsen in te zamelen.[4] Het was namelijk de bedoeling dat er een gedenkteken op Tollens’ graf in Rijswijk zou komen en een standbeeld in Rotterdam. Gelden haalde men binnen door bijvoorbeeld de verkoop van uitgaven met Tollens’ werk, maar ook door inzamelingen tijdens uitvoeringen en voordrachten, niet alleen in Nederland maar ook in België. Zo richtten de Nederlandse studenten aan de Academie van Schone Kunsten in Antwerpen voor dat doel een commissie op[5] en organiseerde het Antwerpse Kunstverbond een actie onder haar leden.[6] Ondanks het enthousiasme werden de benodigde gelden maar moeizaam bijeengebracht. Eind 1856 was er een bedrag van slechts 1300 gulden opgehaald.[7] Medio 1857 lag er zo’n 6000 gulden op tafel en uiteindelijk werden dat er zo’n 8000, maar het was onvoldoende om zowel een gedenkteken als een standbeeld te realiseren.[8] Daarom zag de commissie af van het oorspronkelijke idee een metalen standbeeld te laten vervaardigen en besloot tot een marmeren beeld. Dat was goedkoper, omdat er geen gietproces mee gemoeid was.

De beeldhouwers

Inmiddels had de commissie de beeldhouwers Johann Theodor Stracké (18171-1891) uit Rotterdam en Eugène Lacomblé (1828-1905) uit Den Haag uitgenodigd een ontwerp te maken. De beide heren gaven zo gretig gehoor aan het verzoek dat elk niet één maar twee modellen inzond. Behalve een standbeeld had Lacomblé ook een ontwerp voor een gedenkteken ingestuurd. De opdracht voor het gedenkteken ging naar hem, die voor het standbeeld naar Stracké. Stracké was zeker geen onbekende in Rotterdam. Behalve de marmeren buste van Tollens had hij in 1856 het zandstenen standbeeld van Michiel de Ruyter vervaardigd, dat aan het Zeemanshuis werd geschonken tijdens de opening daarvan. Daarnaast had hij nog twee marmeren borstbeelden gemaakt van koning Willem III en Armorie van der Hoeven, en twee metalen beelden van koning Willem II en van Mercurius. Het laatste was bij de Beurs aangebracht.[9]

Om de ontwerpen te beoordelen had de commissie als adviseurs de befaamde beeldhouwers Louis Royer uit Amsterdam en Louis Gallait uit Brussel aangetrokken. Vooral over de eenvoudige maar waardige pose die Stracké voor Tollens had bedacht, was men enthousiast. Tollens werd blootshoofds voorgesteld in een modern huisgewaad, een losse das om de hals, het hoofd enigszins gebogen. In de rechterhand hield hij een schrijfstift, de linker steunde met een boek op een afgeknotte boomstam. De gelijkenis van het gelaat vond men treffend.[10]

Na goedkeuring van het ontwerp bestelde Stracké het marmer in Italië via een Antwerps beeldhouwatelier. Bij aankomst in de Scheldestad bleek het blok zo zwaar dat het door de stad getransporteerd moest worden, getrokken door zeventien paarden. Het bleek onmogelijk het in die vorm over de toen nog van getijden afhankelijke rivier Rotterdam binnen te krijgen. Daarop toog Stracké met het door hem in pleister vervaardigde model naar Antwerpen. Op deze manier kon hij het overtollige marmer van het blok af laten kappen. Vervolgens werd het ruwe blok marmer naar het atelier van Stracké vervoerd.[11] Om het beeld te vervaardigen, had Stracké van de gemeente toestemming gekregen speciaal een houten loods op te stellen bij het plein aan de Binnenwegse Poort.[12]

De plek

Inmiddels was in Rotterdam een enorme discussie losgebarsten over de plaats van het beeld. De commissie had als favoriete plek het Park, maar de voorkeur van burgemeester en wethouders ging uit naar de Glashaven. Argumenten tegen het Park waren dat het beeld tegen de bomen niet goed zou uitkomen en dat het Park te ver weg lag. Bovendien behoorde het tot de toen nog zelfstandige gemeente Delfshaven.[13] Ook was men bang dat het beeld daar overgeleverd was aan de baldadige jeugd ‘die haar bedrevenheid in het werpen van steenen wilde toonen.’[14] Het college vond de Glashaven een ideale plek voor het standbeeld, omdat dat deel overkluisd zou worden, maar het had zich niet gerealiseerd dat het beeld met de rug tegen de zon geplaatst zou gaan worden, wat het marmer niet ten goede zou komen. Het riep een storm van kritiek op, getuige de ingezonden brieven in de kranten. De Glashaven werd dan ook door de raad verworpen.[15] Vervolgens passeerden het Willemsplein en de Beurs de revue. Tollens was immers niet minder koopman dan volksdichter geweest, vond men. Ook over deze locaties waren de raadsleden zeer verdeeld. De plaatsing bij de Beurs zou te veel geld kosten en bovendien zou het beeld een belemmering vormen voor de handel. Daarop besloot men tot het maken van een silhouet, dat op alle beoogde locaties werd opgesteld. Vervolgens lag de beslissing bij de raad, die het voorstel voor het Park aannam, met vijftien tegen dertien stemmen. Ook de perfecte plaats in het Park zelf zorgde daarna nog voor veel ophef. Na veel gedelibereer werd het schuin tegenover de Officierensociëteit geplaatst. [16]  

De onthulling

De onthulling vond plaats op 24 september 1860 in aanwezigheid van koning Willem III, die daarna de nieuwe Leuvebrug zou openen die bij die gelegenheid de naam Koningsbrug kreeg. Het Park met de officierensociëteit was voor die gelegenheid smaakvol versierd. De decoraties in het Park waren van F. van der Wiel & zonen en van Bernard van de Laar, de broer van Jan van de Laar. Bernard was hoofdzakelijk belast geweest met de wapenschilden op het feestterrein. Alex W.A. Heyblom had een speciale ‘Tollens-Jubelmarsch’ gecomponeerd die werd uitgegeven met een afbeelding van het standbeeld in litho door M. Michielsen naar een tekening van Jan van de Laar. Om het standbeeld heen was een koepelvormig omhulsel gebouwd, ontworpen door Jan van de Laar, dat tijdens de onthulling opzijgeschoven zou worden. Van de Laar had het standbeeld van Tollens geplaatst tegen de achtergrond van een blauwe draperie die met brede gouden franjes omzoomd was en in golvende plooien afhing. Boven het beeld was het familiewapen van de dichter aangebracht op een banier waarvan de bovenrand bedekt was met loof waaruit een gouden met bloemen- en lauwerkrans (eeuwige roem) omvlochten lier (dichtkunst) oprees. Daarboven wapperde de Rotterdamse vlag. Aan beide zijden van de banier hing een oranje draperie met bebloemde guirlandes af die samen de bovenrand van het achterdoek vormden. Aan de rechterkant prijkte het stedelijk wapen, aan de linkerkant het wapen van Nederland, beide geplaatst tegen Venetiaanse masten waaraan de Nederlandse vlag was bevestigd. Bij de zoom beneden waren oranjebomen geplaatst ter decoratie.


Koning Willem III bekijkt het zojuist onthulde standbeeld van Tollens, 1860, met op de achtergrond de door J.H. van de Laar ontworpen decoratie (Atlas van Stolk inv.nr. 18)

Ook de ingang van de Officierensociëteit was versierd met twee Venetiaanse masten waarop in top de Nederlandse en de Rotterdamse vlaggen wapperden. De plechtigheid werd afgesloten bij de Yachtclub waar de leden en de genodigden deelnamen aan een dejeuner. Daar was een miniatuur van het standbeeld van Tollens in een tempel geplaatst. Het gebouw was verder versierd met allerlei decoraties en banieren en de buste van Tollens – naar alle waarschijnlijkheid die van Stracké – was door Jan Hendrik van de Laar voorzien van een lauwerkrans.[17]

Bijna een maand later – op 20 oktober – vond de onthulling van het grafmonument in Rijswijk plaats. Lacomblé had een twee meter hoge rouwdragende muze vervaardigd, die met haar rechterhand een ‘immortelle’ krans op Tollens’ graf neerlegde en in haar rechterhand een lier droeg. Het beeld was gemaakt van lichtgrijs zandsteen (pierre de Caen) en geplaatst op een hardstenen voetstuk. Ook hier was de draperie om het beeld vervaardigd van blauwe stof.[18] Het is denkbaar dat bij de versieringen Jan van de Laar eveneens betrokken is geweest. 

Het Hollandse klimaat

Helaas bleek het marmeren beeld slecht bestand tegen het gure Hollandse klimaat. Elk najaar werd het beeld voorzien van een houten bekisting en in het voorjaar, meestal een week voor pasen, werd Tollens weer tevoorschijn gehaald. Exact honderd jaar later waren het niet alleen klimaatomstandigheden die aan het beeld knaagden, maar ook de tijdgeest. Tollens stond inmiddels synoniem voor burgerlijke gezapigheid. Het begon met de Floriade die in 1960 in het Park werd gehouden. Bij gelegenheid van dat grootste evenement, waarmee de wederopbouw van de stad werd gevierd, werd het hek rond het beeld weggenomen. Na afloop van de Florida werd het hek op verzoek van de plantsoenendienst niet meer teruggeplaatst, zodat het beeld overgeleverd was aan eventuele vandalen. De houten bekisting werd in de fraaie omgeving steeds meer als hinderlijk ervaren. Om het beeld tegen de weersinvloeden te beschermen werd het op advies van TNO geïmpregneerd met een bepaald soort siliconenpreparaat. De proef, die in 1962 plaatsvond, achtte men bijzonder geslaagd. Voortaan was Tollens gevrijwaard van de houten bekisting.[19]

Met het grafmonument in Rijswijk liep het minder voorspoedig af. Het zachte zandsteen was erg kwetsbaar. Al na enkele jaren begon het af te brokkelen. Decennialange verwaarlozing deden de rest. Het monument werd in 1970 op last van de gemeente verwijderd. Alleen de hardstenen sokkel met de letters TOLLENS bleef overeind. Op initiatief van Ruud Poortier, voorzitter van de Stichting Vrienden van de Oude Kerk Rijswijk, werd in 2011 een nieuw monument geplaatst ter herdenking van Tollens: een marmeren zuil op een sokkel gesierd met de symbolen lauwerkrans, lier en veer, refererend aan zijn eens beroemd dichterschap.[20]


[1] Het standbeeld van koning Willem II werd in 1853 in Den Haag geplaatst op het Buitenhof en in 1924 herplaatst in Tilburg.

[2] Zie Wilma van Giersbergen, Op zoek naar werk. De productieve kunstenaarsfamilies Hauck-Bakker-Van de Laar in Rotterdam 1770-1920 (Rotterdam 2018) 159-189.

[3] Utrechtsche Provinciale en Stadscourant, 5-11-1867.

[4] Nieuwe Rotterdamsche Courant, 4-11-1856; Rotterdamsche Courant, 22-10-1860.

[5] Nieuwe Rotterdamsche Courant, 25-11-1856.

[6] Rotterdamsche Courant, 20-2-1857.

[7] Utrechtsche Provinciale en Stadscourant, 31-12-1856.

[8] Groninger Courant, 15-5-1857.

[9] Rotterdamsche Courant, 15-6-1856. Het beeld van koning Willem III was geplaatst in een van de huizen in de Wijnstraat en is nu geplaatst in een nis op de hoek van de Wijnstraat en de Vissteeg (Gerrit Vermeer en Ben Rebel, Historische Gids van Rotterdam Den Haag, 1994, 53).

[10] Nieuwe Rotterdamsche Courant, 5-12-1858.

[11] Nieuwe Rotterdamsche Courant, 20-11-1858.

[12] Rotterdamsche Courant, 27-5-1858.

[13] Rotterdamsche Courant, 4-7-1860.

[14] Rotterdamsche Courant, 13-3-1860.

[15] Rotterdamsche Courant, 21-3-1860; Rotterdamsche Courant, 6-7-1860.

[16] Rotterdamsche Courant, 13-3-1860; Rotterdamsche Courant, 6-7-1860.

[17] Nieuw Amsterdamsch handels- en effectenblad, 25-9-1860; NRC, 23-9-1860; NRC, 25-9-1860; Rotterdamsche Courant, 25-9-1860; NRC, 26-9-1860; Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 26-9-1860.

[18] Rotterdamsche Courant, 22-10-1860.

[19] J.A.C. Tillema, ‘Tollens waarlijk man geworden’, in: Rotterdams Jaarboekje (1963) 161.

[20] Lotte Jensen, ‘Historisch erfgoed. Een nieuw monument voor Tollens. Cultureel nationalisme, letterkundig erfgoed en nationale identiteit’, in: Groniek 191 (2011) 81-90.

Wilma van Giersbergen 2017, bewerkt 2021

Prijswinnaars Teekengenootschap ‘Hierdoor tot Hooger’ Rotterdam: 1783-1850

Wilma van Giersbergen – Prijswinnaars Teekengenootschap ‘Hierdoor tot Hooger’, Rotterdam 1783-1850

In 1781 had het Rotterdamse Teekengenootschap ‘Hierdoor tot Hooger’ een aparte afdeling opgericht, de zogeheten ‘Publiek Academie’. Ze was bedoeld voor ambachtsjongens die in de avonduren hun kennis wilden bijspijkeren. Ze kregen praktische meetkunde, perspectieftekenen, les in de bouwkundige orden enzovoort. Met de instelling van de ‘Publiek Academie’ ging het Teekengenootschap aan het einde van het leerjaar ook over tot het bekronen van de beste tekeningen. Aangezien leerlingen in die tijd geen rapport ontvingen, waren prijzen een middel om niet alleen de vorderingen te bepalen, maar ook om de ijver te prikkelen. De beste leerling kreeg de eretitel ‘primus’ en hij verwierf de bijbehorende prijs.

De prijzen bestonden tot 1791 uit zilveren passers en tekenpennen, getuigschriften en prijsboeken. Prijsboeken waren bestaande boeken – meestal met kunsttheoretische, anatomische, bouwkundige of perspectivische onderwerpen – die voor deze gelegenheid fraai gebonden werden in schildpadleer, marokijn, kalfsleer of perkament. Op de titelpagina stond de ex praemio, de prijsopdracht, met de naam van de leerling en de datum van uitreiking.

Prijsboek uitgereikt aan Cornelis Bakker, Stadsarchief Rotterdam

Vanaf 1791 werden de prijzen vervangen door een gouden en twee zilveren medailles, de zogeheten prijspenningen. Aan de ene zijde stond de naam van prijswinnaar en de datum, aan de andere zijde de naam van het Teekengenootschap.

In 1819 werd een nieuw ontwerp gemaakt door de tekenleraar Cornelis Bakker. Op de ene zijde stond de zinspreuk HIERDOOR TOT HOOGER, boven een zittende, vrouwelijke figuur die de Tekenkunst voorstelt. Op de andere zijde kon binnen een cirkel van palmtakken de naam van de prijswinnaar worden gegraveerd. De medailles naar ontwerp van Cornelis Bakker werden nog tot 1851 uitgereikt.

Zilveren prijspenning naar ontwerp van Cornelis Bakker (C.B. DEL), Stadsarchief Rotterdam

De jaarlijkse prijsuitreiking was een openbare plechtigheid die diende om het onderwijs onder de aandacht van de Rotterdammers te brengen. Na de plechtigheid waren de prijswinnende tekeningen enkele dagen te bezichtigen op een tentoonstelling die toegankelijk was voor alle inwoners. Vervolgens verschenen de namen van de prijswinnaars in de Rotterdamsche Courant, wat een hele eer was. Voor sommige leerlingen was het behalen van de hoogste prijs een enorme stimulans. Sommige leerlingen konden daardoor bijvoorbeeld een opleiding als kunstschilder gaan volgen.

Naam  Leerling Hierdoor tot HoogerBijzonderheden  
Abeele, P.J. van den1849: bouwkunde, 4de klas, 2de afd., accessit 
Akkersdijk / Ackersdijk, Jacobus (R’dam 1815-1862 Rotterdam)1830: handtekenen, 4de klas, pleisterhoofd Ariadne, klein zilver 1831: handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Prometheus, groot zilver 1833: handtekenen, 1ste klas, naakt mansmodel, dubbel zilver 1834: wiskunde, melding 1835: doorzichtkunde, 2de klas loffelijke vermelding met bevorderingInterieurschilder; leraar handtekenen Academie 1852-1862 / RC 30-10-1841
Alewijk, P. van (?Pieter) (Rotterdam ca. 1821)1845: bouwkunde, 1ste klas, 2de afd., loffelijke vermelding 
Altmann, C.K.1841: handtekenen, groot prenthoofd, klein brons 
Altmann, J. (?Jan Altmann) (Den Burg ca. 1824-1851 R’dam)1837: handtekenen, klein prenthoofd, loffelijk getuigschrift 1838: handtekenen, prentbeeld, getuigschrift 1843: handtekenen, prentbeeld, getuigschrift 
Altmann, Sijbrand (Den Burg 1822 – 1890 A’dam)1836 (handtekenen, prenthoofd, getuigschrift met bevordering) 1837 (handtekenen, pleisterhoofd, getuigschrift met bevordering) 1838 (handtekenen, pleisterromp, getuigschrift; ontleedkunde, 2de klas, brons)1880 hoogleraar Rijksakademie. Portretschilder / Scheen / NRC 12-06-1852
Ameling, F.1841 (handtekenen, klein prenthoofd, getuigschrift) 
Andel, Woutherus Hubertus van (Rotterdam 1831-)1848 (ornament, 3de klas, groot brons) 
Anker, Hermanus Franciscus Carolus van den (Rotterdam 1832-1883 Parijs)1846: handtekenen, klein prenthoofd, getuigschr. 1847 (handtekenen, prenthoofd, brons) 1848 (handtekenen, prentbeeld, 3de klas, groot brons) 1849 (handtekenen, pleisterklas, klein zilver; anatomie, 2de klas, loffelijke vermelding; doorzichtkunde, 2de klas, accessit)Portretschilder, binnenhuisschilder / Scheen /
Bakker, Aren (R’dam 1806-1843 Rotterdam)1823 (handtekenen, pleisterbeeld, accessit) 1824 (handtekenen, 1ste klas, pleisterbeeld, accessit) 1826 (handtekenen, 1ste klas, naakt model, loffelijke vermelding) 1827 (doorzichtkunde, 1ste klas, loffelijke vermelding) in 1840 benoemd tot lid van verdiensteV. Giersbergen, Op zoek naar werk (2018)
Bakker, Cornelis (Goedereede 1771-1849 R’dam)1786 (2de klas, ereprijs, zilver) 1788 (1ste prijs, 1ste ereprijs) 1790 (ereprijs)V. Giersbergen, Op zoek naar werk (2018)
Bakker, Job August (R’dam 1796-1876 Rotterdam)1809 (handtekenen, 6de klas, prenthoofd, loffelijk getuigschrift) 1814 (handtekenen, 1ste klas, naakt model)V. Giersbergen, Op zoek naar werk (2018)
Barbet, Pieter1796 (2de klas, pleisterbeeld Ganimedes, accessit) 1797 (2de klas, pleisterbeeld, groot zilver) 1799 (1ste klas, naakt model, goud)RC 27-11-1804 / steenhouwerij / schoorsteenmantels en beeldhouwwerken.
Bartels, J.1831 (doorzichtkunde, 3de klas, eervolle vermelding met bevordering) 1833 (bouwkunde, 3de klas, brons) 
Beddigs, Jan Hendrik (Rotterdam 1787-)1802 (handtekenen, 4de klas, vrouwenhoofd naar prent, getuigschrift) 1804 (handtekenen, 3de klas, pleisterbuste Amor, zilver) 
Beek, Johannes Samuel van der (R’dam 1831-1904 Rotterdam)1848 (handtekenen, 5de klas, klein prenthoofd, getuigschrift) 
Beer, A. de (?Arie de Beer) (Rotterdam 1830-)1848: handtekenen, 4de klas, prenthoofd, accessit 1849: handtekenen, prentbeeld, accessit 
Beest, Albertus van (R’dam 1820-1860 New York)1838 (ontleedkunde, 3de klas, getuigschrift)NRC 14-06-1844 / NRC 22-12-1863/ A.J. Barnouw, R’dams Jb 1919 / Scheen
Beest, J. van1846: bouwkunde, 3de klas, 2de afd., loffel. verm. 
Bekking, Gijsbert Carel (R’dam 1828-1874 Rotterdam)1843 (handtekenen, klein prenthoofd, 1ste afd., getuigschrift) 
Bemme, Antonie Adr. (R’dam 1779-1846 Rotterdam)1804 (handtekenen, 6de klas, prenthoofd, getuigschrift)  Stempelsnijder / Scheen
Bemme, Johannes Adrz. (R’dam 1775-1841 Den Haag)1795 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Laocoön, accessit) 1796 (handtekenen,1ste klas, levend naakt, goud)graveur, medailleur; vanaf 1831 Den Haag / Immerzeel / Scheen
Berg, Franciscus Johannes van den (R’dam 1833-1892 Hilversum)1845 (wiskunde, 2de klas, groot brons) 1846 (wiskunde, 1ste klas, 1ste afd., getuigschrift) 1847 (wiskunde, 1ste klas, klein zilver)Wrsch. hoogleraar wiskunde Polytechnische School.
Berg, Jacobus Everhardus Josephus van den (R’dam 1802-1861 Den Haag)1815 (handtekenen, prenthoofd, lot tegen C. Kolff Gzn.; doorzichtkunde, 3de klas) 1816 (doorzichtkunde, 2de klas, passer) 1819 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Antinous, accessit; doorzichtk., 1ste klas, zilver) 1820 (handtekenen, mannelijk naakt, 1ste klas, goud) 
Berg, Simon van den (Overschie 1812-1891 Arnhem)1829 (handtekenen, 4de klas, getuigschrift met bevordering)veeschilder; 1880 directeur Mauritshuis, niet wz. R’dam / Scheen
Berg, Willem van den1807 (bouw- en doorzichtkunde, 2de klas, werktuigkundig instrument) 1808 (handtekenen, 3de klas, pleisterromp torso, zilver) 1810 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Prometheus, accessit) 
Bergen, Cornelis Gijsbert van (Rotterdam 1830-)1848 (ornament 4de klas, 1ste afd., accessit) 
Bernet, Christiaan (R’dam 1770-1832 Rotterdam)1788 (3de klas, 3de ereprijs) 
Beugelink Azn., Jan (Rotterdam 1811-1900 Parijs)1827 (handtekenen, 4de klas, pleister Gladiator, klein zilver) 1828 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Silene, loffelijke vermelding met bevordering) 1829 (handtekenen, 2de klas, pleister Antinous, dubbel zilver; bouwkunde, 4de klas, getuigschrift) 1830 (bouwkunde, 3de klas, brons; doorzichtkunde, 2de klas, klein zilver)Scheen
Beyderwellen, C.1845 (boetseren, 1ste klas, loffelijke vermelding) 
Beyderwelle(n), N.1840 (boetseren, 3de klas, klein brons) 1842 (ornament, 2de klas, klein zilver) 1843 (boetseren, 1ste klas, klein zilver; ornament, 1ste klas, groot zilver) 
Biechling, Arend1796 (handtekenen, 3de klas, pleisterhoofd, accessit) 1797: handtekenen, 3de klas, pleisterhoofd, kl. zilver 1799 (handtekenen, 2de klas, pleisterromp Amour antique, groot zilver) 1802 (1ste klas, naakt model, goud) 
Bikker, W.1811 (handtekenen, 5de klas, prentbeeld, zilver) 
Bikkers Azn., Jan (R’dam 1830 – 1876 Rotterdam)1849 (anatomie, 3de klas, brons)RC 04-07-1865 / Scheen / fotograaf / kunstschilder
Bilyard / Biljard / Belyard, A.1799 (handtekenen, 3de klas, pleisterhoofd Ino Leucothea, aanmoediging) 1802 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Germanicus, groot zilver) 1805 (handtekenen, 1ste klas, naakt model, goud) 
Bliek, Pieter (R’dam 1812-1853 Rotterdam)1827 (handtekenen, 4de klas, pleisterhoofd, loffelijke vermelding met bevorderding)Interieurschilder / Scheen / Immerzeel / NRC 23-01-1853
Boele, Marinus1800 (handtekenen, 3de klas, pleisterhoofd Niobe, klein zilver) 1805 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Amor, accessit) 
Bogaers, D.J.F.1822 (wiskunde, 1ste klas, getuigschrift, lot tegen C.W. van Vollenhoven) 
Bogers, Jan1786 (handtekenen, 3de klas, ereprijs, zilver) 
Bogert, M.1819 (bouwkunde, 3de klas, loffelijk getuigschrift) 
Bo(o)gert, Willem (Dordrecht 1803 – ?)1810 (handtekenen, 7de klas, klein prenthoofd, loffelijk getuigschrift) 1816 (handtekenen, pleisterbeeld, zilver) 1817 (handtekenen, 1ste klas, pleisterbeeld Apollo, zilver) 1818 (handtekenen, 1ste klas, naakt model, goud)Kunsthandelaar / amateur-landschap-schilder met vee / Scheen
Boonen, A.1844 (ornament, 4de klas, 1ste afd., loffelijke vermelding) 
Bork, P. van1845 (bouwkundig ornament, getuigschrift) 
Bosz, J.1839 (handtekenen, groot prenthoofd, getuigschr.) 1840 (handtekenen, prentbeeld, getuigschrift; ontleedkunde, 3de klas, klein brons) 
Bosz, Nicolaas1836 (handtekenen, prenthoofd, brons) 1837 (ontleedkunde voor de schilder, getuigschrift) 1838 (pleisterhoofd, getuigschrift; ontleedkunde, 1ste klas, getuigschrift) 
Boudewijnse, S.J.1834 (doorzichtkunde, 3de klas, brons) 
Bouwmeester, H.1823 (handtekenen, 1ste klas, naakt model, goud) 
Bouwmeester, J.1822 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Adonis, groot zilver) 
Bouwmeester, J.S.1841 (bouwkunde, 4de klas, klein brons) 
Bouwmeester, W.A.1836 (handtekenen, prentvoet, getuigschrift) 1839 (doorzichtkunde, 3de klas, eervolle vermelding) 
Bouwt, Jeremias den1795 (4de klas, pleisterhoofd, klein zilver) 
Braakman, Antonie (R’dam 1811-1870 Stuttgart)1828 (handtekenen, 5de klas, klein pleisterhoofd, brons) 
Braal, G. de1848 (handtekenen, 3de klas, pleisterhoofd klein zilver; boetseren, 2de klas, groot brons) 
Brandel, P.A.1847 (ornament, 5de klas, getuigschrift) 
Breukel, S.1831 (doorzichtkunde, 2de klas, eervolle vermelding met bevordering) 1832 (bouwkunde, 1ste klas, loffelijke vermelding) 1834 (bouwkunde, 1ste klas, groot zilver) 
Breukel, Stephanus Josephus Hendrikus (Rotterdam 1812-)1832 (handtekenen, 6de klas, ornament, loffelijk getuigschrift; bouwkunde, 2de klas, klein zilver)RC 24-09-1836 / 28-09-1839 / meester-timmerman
Breukelman, C.1841 (doorzichtkunde, 3de klas, loffelijk getuigschrift met bevordering) 1843 (bouwkunde, 1ste klas, 2de afd., groot zilver) 1845 (bouwkunde, 1ste klas, 1ste afd., loff. verm.) 1842 (bouwkunde, 2de klas, klein zilver; doorzichtkunde, 2de klas, loffelijke vermelding)NRC 23-09-1848
Brink, H. van den1832 (handtekenen, 4de klas, groot prenthoofd, brons) 
Brink, J.T. van den1848 (bouwkunde 2de klas, 2de afd., accessit) 
Broek, Hendrik Willem ten1797 (2de klas, pleisterbeeld, accessit met bevordering naar de naaktklas) 1798 (2de klas, pleisterbeeld Satyrus, groot zilver) 
Broek, J. van den1810 (bouwkunde, 1ste klas, prijs) 
Broesterhuyzen, R.1834: handtekenen, ornament, getuigschrift 
Burger, A.J.T.1837: handtekenen, prenthand, eervolle verm. 
Burger, W.S.1837 (handtekenen, prenthand, getuigschrift) 
Burgerhout, H.A.1841 (boetseren, 3de klas, klein brons) 
Burgt, ? van der1811 (handtekenen, 7de klas, klein prenthoofd, loffelijk getuigschrift) 
Caners, H.1840 (ornament, 2de klas, klein zilver) 1841 (boetseren, 1ste klas, loffelijke vermelding; bouwkunde, 2de klas, loffelijke vermelding) 1842 (ornament, 1ste klas, groot zilver) 
Carbentus jr., W.1843 (boetseren, 3de klas, groot brons; ornament, 2de klas, getuigschrift) 1844 (boetseren, 2de klas, groot brons) 1845 (boetseren, 2de klas, loffelijke vermelding) 
Cloedt, W.L. de1841 (boetseren, 3de klas, getuigschrift) 
Commijs, Jacobus Hermanus (R’dam 1806 – 1870 Den Haag)1820 (handtekenen, 3de klas, pleister romp, lot tegen Ruijchaver) RC 10-07-1817 / Scheen
Cooke, William (Rotterdam 1803-1856 Elburg)1818 (handtekenen, 4de klas, pleisterhoofd Niobe, zilver) 1819 (handtekenen, 3de klas, pleisterromp Torso, zilver) 1821 (bouwkunde, 3de klas, loffelijk getuigschrift)1823 A’werpse academie, 1825-1826 Parijs, toen R’dam / RC 30-07-1825 / RC 28-10-1826 / Scheen / V. Giersbergen, ‘De invloed van de A’werpse kunstcademie op de R’damse historie-schilders van 1830’, in: Historiant (2020)
Cortmans, J.F.1831 (handtekenen, groot prenthoofd, brons) 
Cramer, A.C.1845 (wiskunde, 2de klas, groot brons) 
Cramer, Dirk Gerardus (Rotterdam 1830-)1844: handtekenen, groot prenthoofd, kl. brons 1845 (ontleedkunde, 3de klas, klein brons) 1846 (pleisterbeeld, groot brons; wiskunde, 1ste klas, 1ste afd., groot zilver) 
Cramer / Kramer, D.J.1824 (bouwkunde 2de klas klein zilver) 1826 (bouwkunde, 1ste klas, loffelijke vermelding; doorzichtkunde, 1ste klas, gr. zilver) 1827 (bouwkunde, 1ste klas, groot zilver; meetkunde, 1ste klas, brons) 
Cramer, J.1849 (bouwkunde, 1ste klas, 2de afd., groot zilver) 
Cramer, Hendrik (Zierikzee 1832 – 1908 R’dam)1847 (ornament, 3de klas, accessit; doorzichtkunde, 3de klas, accessit) 1848 (bouwkunde, 2de klas, 1ste afd., accessit; doorzichtkunde, 2de klas, klein zilver) 1849 (bouwkunde, 1ste klas, 2de afd., accessit; doorzichtkunde, 1ste klas, groot zilver)Bouwkundig tekenaar / Scheen
Da(a)len, Martinus van1795 (3de klas, pleister romp, middelbaar zilver) 1796: 2de klas, pleisterbeeld Ganimedes, gr. zilver 1797 (1ste klas, levend naakt, accessit) 1798 (1ste klas, levend naakt, goud) 
Dado Lopetro, J.  (Jean?)  1846 (bouwkundig ornament, getuigschrift) 
Dalen, P.E.1814 (handtekenen, 3de klas, pleisterromp) 
Dam, Jan van (R’dam 1802 – 1887 A’dam)1822 (handtekenen, 4de klas, hoofd Niobe, klein zilver)Bouwk. tekenaar / ll. Fundatie van Renswoude Den Haag / Scheen
Dekker, E. ?Engel Dekker (ca. 1815-1879 Rotterdam)?1828 (bouwkunde, 4de klas, loffelijk getuigschrift) 1829 (handtekenen, 5de klas, hoofd Meleager, brons; bouwkunde, 3de klas, brons; doorzichtkunde, 3de klas, brons) 1830 (wiskunde, loffelijke vermelding) 
Dekker, F.1825 (handtekenen, prent, bevordering naar pleisterklas; bouwkunde, 4de klas, loffelijk getuigschrift) 1826 (handtekenen, 5de klas, klein pleisterhoofd, brons; bouwkunde, 3de klas, brons) 1827 (doorzichtkunde, 2de klas, klein zilver) 1828 (handtekenen, 4de klas, loffelijke vermelding met bevordering; bouwkunde, 2de klas, loffelijk getuigschrift; doorzichtkunde, 1ste klas, groot zilver) 1829 (handtekenen, 3de klas, romp Adonis, groot zilver) 1830 (bouwkunde, 1ste klas, groot zilver) 1832 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Silene, groot zilver) 1834 (handtekenen, 1ste klas, naakt model, goud) 
Dekker, Hendrik (R’dam 1776 – 1846 Rotterdam)1793 (2de klas, 2de prijs, groot zilver)Architect / Scheen
Dekker, Henri/Hendrik (R’dam 1817 – 1889 Rotterdam)1831, (bouwkunde, 4de klas, eervolle vermelding met bevordering; doorzichtkunde, 3de klas, brons) 1832 (bouwkunde, 3de klas, brons; doorzichtkunde, 2de klas, loffelijk getuigschrift met bevordering) 1835 (handtekenen, pleisterbeeld Antinous, groot zilver) 1837 (doorzichtkunde, 1ste klas, loffelijke vermelding; extra lof voor alle tekenlessen)Portretschilder / Scheen
De(e)rens, Gerrit Jan (R’dam 1831- 1898 Rotterdam)1845 (handtekenen, groot prenthoofd, klein brons) 1846 (handtekenen, pleisterhoofd, eervolle vermelding; ontleedkunde, 3de klas, klein brons) 1847 (handtekenen, pleisterhoofd, klein zilver; anatomie, 2de klas, getuigschrift) 1848 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld, groot zilver; anatomie, 1ste klas, 2de afd., klein zilver; doorzichtkunde, 3de klas, groot brons) 1849 (anatomie, 1ste klas, 1ste afd., eervolle vermelding; doorzichtkunde, 2de klas, klein zilver)Portretschilder; onderwijzer handtekenen aan de academie 1852 / RC, 01-08-1860 / docent Inrigting ‘Doofstommen-Onderwijs’ / NRC, 22-07-1854
Dietz, Barentie Willem (Vlissingen 1793 – 1864 A’hem)1819: handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Antinous, accessit; doorzichtkunde, 2de klas, klein zilver 
Dijker, Antonie Willem (Rotterdam 1831-1861 R’dam?)1849 (bouwkunde, 4de klas, 2de afd., getuigschrift)NRC 31-01-1854 / RC 21-11-1861
Dijxhoorn, Pieter Arnout (R’dam 1810 – 1839 Groningen)1828 (handtekenen, 4de klas, loffelijke vermelding met bevordering) 1829 (handtekenen, 3de klas; getuigschrift met bevordering)schilderij van zijn hand aan de academie geschonken door H. Rochussen 1852
Dool, Hermanus van den (Wrsch. Rotterdam 1775 -)1796 (handtekenen, 3de klas, pleisterhoofd, klein zilver) 
Driel, T. van1832 (handtekenen, 4de klas, groot prenthoofd, loffelijk getuigschrift met bevordering) 
Dubbelman, ??1849 (handtekenen, omtrek, accessit) 
Duermeyer, C. Wrsch, Corneles Duermeijer (Rotterdam 1785-)1806 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Antinous, groot zilver) 
Dupken, N.1847 (handtekenen, klein prenthoofd, accessit) 
Duvigneau, Jean Pierre1803 (handtekenen, 5de klas, prentbeeld, klein zilver) 
Eck, J.1817 (handtekenen, 4de klas, pleisterhoofd, zilver) 
Eck, J. van1835 (handtekenen, prenthand, loffelijk getuigschrift) 
Eijsden, Robert van (R’dam 1810 – 1890 Apeldoorn)1828 (handtekenen, 3de klas, pleisterromp torso, groot zilver; bouwkunde, 4de klas, loffelijk getuigschrift; doorzichtkunde, 2de klas, eervolle vermelding)Onderwijzer handtekenen Academie 1851 / Immerzeel
Elkman, W.1842 (handtekenen, klein prenthoofd, 2de afd., getuigschrift) 
Elsbroek, Jan Matthijs Lambertus van (Aurich ca. 1810 – 1831 R’dam)1825 (doorzichtkunde, 1ste klas, loffelijk getuigschrift) 1826 (meetkunde, loffelijke vermelding) 
Ende, Leendert van den  1801 (handtekenen, 3de klas, pleisterbuste Niobe, zilver) 1802 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Germanicus, accessit, bevordering naar naaktklas) 
Ende, P. van den1817 (handtekenen, 5de klas, prentvoorbeeld, loffelijk getuigschrift) 
Engelen, L.1839 (handtekenen, klein prenthoofd, getuigschrift) 
Esbeek Ruijchaver, Jan1824 (meetkunde, 2de klas loffelijk getuigschrift) RC 10-07-1817
Essen, C. van1849 (bouwkunde, 2de klas, 1ste afd., klein zilver) 
Flaas, P.1828 (bouwkunde, 3de klas, brons) 
Follen, G.1949 (prenthoofd, loffelijke vermelding) 
Freeriks / Freriks, H.C.1848 (bouwkunde, 2de klas, groot brons) 1849 (bouwkunde, 2de klas, 1ste afd., accessit) 
Gall, G.1839 (bouwkunde, 4de klas, getuigschrift) 1842 (doorzichtkunde, 3de klas, klein brons; wiskunde, 2de klas, loffelijk getuigschrift) 
Gazan, Izak Levi (Sommelsdijk 1824-1881 R’dam)  1843 (handtekenen, pleisterhoofd, getuigschrift; anatomie, 4de klas, klein brons) 
Geerling, J.A.1847 (ornament, 3de klas, accessit) 
Gessel, D. van1837: handtekenen, ornament, loffelijk getuigschrift met bevordering 1838: bouwkunde, 1ste klas, getuigschrift 1839: ornament, 2de klas, eervolle vermelding 1840: bouwkunde, 1ste klas, 1ste afd., loff. getuigschr. 
Gewin, J.C.1821 (handtekenen, 7de klas, prentmodel, loffelijk getuigschrift) 
Gielen, J.H.1824 (bouwkunde, 3de klas, loffelijke vermelding) 
Gijsberti Hodenpijl, H.P. (of H.F.)1831 (wiskunde, 2de klas, loffelijk getuigschrift) 1833 (wiskunde, 1ste klas, klein zilver), 1834 (wiskunde, 2de klas, buitengew. getuigschr.) 
Gilse van der Pals, Cornelis van (ca. 1787 – Rotterdam 1824)1800 (bouw- en doorzichtkunde; boek als aanmoediging) 
Giltay, Marinus Cornelis Catharinus (Rotterdam ca. 1818- )1833 (bouwkunde, 4de klas, loffelijk getuigschrift; doorzichtkunde, 3de klas, brons) 1837 (bouwkunde, 2de klas, klein zilver)Meestertimmerman / RC 09-11-1854
Giudici, Carolus Joannes Franciscus Antonius (Rotterdam 1823-1897 Rotterdam)1842 (boetseren, 2de klas, groot brons; ornament, 2de klas, loffelijke vermelding) 1843 (boetseren, 1ste klas, loffelijke vermelding)Architect; 1869 bestuurslid Academie; / KNOB, B.A.M. Rijsbergen, pp. 181-186
Giudici, J.1838: handtekenen, 3de klas, ornament, getuigschr. 1839: ornament, 2de klas, eervolle vermelding 
Glazener, Leendert (R’dam 1821-1886 Rotterdam)183: handtekenen, 2de klas, ornament, getuigschriftgoud- en zilverwerken/ RC 08-05-1849 / Wereldtent. Londen 1851 / NRC 19-03-1851
Gortmans B. Jzn., Johannes Franciscus (Rotterdam 1818-)1832 (handtekenen, 3de klas, pleisterhoofd Isocrates, klein zilver) 1833 (1ste klas, pleisterbeeld Antinous, groot zilver) 
Goudoever, Antonie Jacobus van (R’dam 1783-1856 Rotterdam)1809 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Adonis, groot zilver)Scheen / behanger / RC 30-04-1833 / RC 04-01-1845 / NRC 31-07-1856 / NRC 21-09-1857
Goudoever, Martinus van (R’dam 1823-1887 Rotterdam)1842 (handtekenen, klein prenthoofd, 1ste afd., getuigschrift) 1843 (handtekenen, prenthoofd, groot brons) 1845 (handtekenen, prentbeeld, groot brons) 
Goudriaan, Bernardus Adrianus (D’recht 1810-1886 Vlaardingen)1834 (bouwkunde, 2de klas, klein zilver) 1836 (handtekenen, naakt mansmodel, getuigschr.) 1837 (handtekenen, pleisterbeeld, getuigschrift, bevorderd naar naakt model) 1838 (handtekenen, pleisterbeeld, groot zilver)ambtenaar der belastingen / RC 29-08-1862 / RC 30-10-1841/ Scheen
Greven, J.1829 (handtekenen, 2de klas: getuigschrift met bevordering) 
Greven, Jb.1820 (bouwkunde, 3de klas, getuigschrift; doorzichtkunde, 3de klas, getuigschrift) 1821 (bouwkunde, 2de klas, klein zilver) 1823 (handtekenen, 3de klas, pleisterromp Torso, zilver) 1824 (bouwkunde, 2de klas, loffelijke vermelding; doorzichtkunde, 1ste klas, middelste zilveren medaille) 
Grient, Cornelis Ouboter van der (R’dam 1791-1868 Overschie)1814 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld, accessit)Portretschilder / Scheen / Immerzeel
Groeneveld, Corn.1793 (3de klas, 3de prijs, klein zilver) 1795 (1ste klas, naakt mansmodel, goud) 
Groenewegen, Jan1792 (2de klas, 2de ereprijs) 
Groot, F.G. de1836 ((handtekenen, prenthoofd, getuigschrift met bevordering) 1839 (handtekenen, pleisterhoofd, klein zilver) 1840 (handtekenen, pleisterromp, getuigschrift) 1841 (handtekenen, pleisterbeeld, groot zilver) 
Groshans, R.1842 (boetseren, 3de klas, getuigschrift) 
Haanegraaff, Z.1838 (handtekenen, klein prenthoofd, getuigschrift) 
Haas, C. de1824 (doorzichtkunde, 2de klas, klein zilver) 1826 (bouwkunde, 2de klas, klein zilver) 1827 (doorzichtkunde, 1ste klas, groot zilver) 
Haas, H.J. de1839 (ornament, 3de klas, getuigschrift) 1840 (doorzichtkunde, 3de klas, klein brons) 1841 (bouwkunde, 2de klas, klein zilver; doorzichtkunde, 2de klas, klein zilver) 
Haas, H.S. de1842 (bouwkunde, 1ste klas, 2de afd., groot zilver) 
Haas, J. de1846 (handtekenen, klein prenthoofd, 2de afd., getuigschrift) 
Haas, J.J. de1847 (bouwkunde, 4de klas, 1ste afd., accessit) 
Haas, W.F. de1845 (ontleedkunde, 2de klas, eervolle vermelding) 
Haaxman, Daniël Johannes (R’dam ca. 1808-1862 R’dam)1827: handtekenen, 5de klas, klein pleisterhoofd, brons 
Hackenbracht, H.1844 (boetseren, 3de klas, loffelijke vermelding) 
Hackenbracht, W.1836 (handtekenen, ornament, brons) 
Ham, P.1834 (handtekenen, prentvoet, getuigschrift) 1835 (handtekenen, prenthoofd, loffelijke vermelding met bevordering) 
Ham, H. van der1835 (handtekenen, ornament, getuigschrift; doorzichtkunde, 3de klas, brons) 1836 (bouwkunde, 2de klas, getuigschrift met bevordering) 
Hamer, P.J.1834 (bouwkunde, 2de klas, klein zilver) 1835 (bouwkunde, 1ste klas, loffelijke vermelding; doorzichtkunde, 1ste klas, groot zilver) 
Harderwijk Rz, Jan van (Huizum 1790- 1858 Rotterdam)1808 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Germanicus, groot zilver; bouwkunde, werktuigkundig instrument) 1809 (doorzichtkunde, opnieuw gedenkteken) 1810 (handtekenen, 1ste klas, naakt model, goud)Scheen / voorzitter / RC 19-04-1810
Harderwijk jr., J. van1833 (wiskunde, 2de klas, loffelijke vermelding 
Harmeijer, G. (Gerardus) (R’dam 1795-1819 Rotterdam)1810 (handtekenen, 4de klas, pleisterhoofd, zilver) 1815 (handtekenen, naakt model; doorzichtkunde 2de klas) 1816 (doorzichtkunde, 1ste klas, boek) 1818 (doorzichtkunde, 1ste klas, zilver)V. Giersbergen, Op zoek naar werk (2018)
Harmeijer, H.1846 (boetseren, 4de klas, getuigschrift) 
Harst, J.1834 (wiskunde, 2de klas, loffelijk getuigschrift) 
Harte, J.H.1831 (bouwkunde, 4de klas, eervolle vermelding met bevordering) 1833 (doorzichtkunde, 2de klas, klein zilver) 
Harte, Pieter1783 (3de klas, 3de ereprijs, zilver) 
Harting, Dirk1804 (handtekenen, 5de klas, prentbeeld, getuigschrift) 
Hartman, Egbert1788 (2de klas, 2de ereprijs) 1793 (1ste klas, 1ste prijs, goud) 
Hartman, W.1838 (handtekenen, 3de klas, ornament, getuigschrift; bouwkunde, 4de klas, getuigschrift) 1840 (ornament, 2de klas, getuigschrift) 1842 (ornament, 1ste klas, loffelijke vermelding) 
Heijermans, A.1823 (handtekenen, 7de klas, klein prenthoofd, loffelijk getuigschrift) 
Heijermans, J.H.1847 (handtekenen, omtrek, accessit) 
Heytink, A.J.1836 (doorzichtkunde, 3de klas, brons) 
Helbach, P.J.J.C.1835 (handtekenen, prenthoofd, brons) 
Held, Leendert Simon Bulaus van der (Rotterdam 1819-)1837 (handtekenen, pleisterhoofd, klein zilver; ontleedkunde voor de schilder, getuigschrift) 1838 (doorzichtkunde, 3de klas, eervolle vermelding) 
Helm, A. van den1823 (handtekenen, 5de klas, heel prentbeeld, loffelijk getuigschrift) 
Helm, Hendrik van den (R’dam 1811-1889 Rotterdam)1824: handtekenen, 4de klas, prentbeeld, getuigschr. 1825 (handtekenen, 3de klas, pleisterromp Torso, zilver), 1827 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Antinoös, dubbel zilver), 1828 (handtekenen, 1ste klas, naakt mansmodel, loffelijke vermelding) 1830 (1ste klas, naakt mansmodel, groot zilver)Zeeschilder / Scheen / Immerzeel
Helleman, J.1822 (doorzichtkunde, 2de klas, klein zilver) 
Hemert, Johannes van1807 (handtekenen, 7de klas, klein prenthoofd, loffelijk getuigschrift), 
Hengel, W. van1816 (handtekenen, 3de klas, pleisterromp, zilver) 
Henkemans Lz., Adrianus (R’dam 1814-1842 Rotterdam)1831 (bouwkunde, 4de klas, loffelijk getuigschrift; doorzichtkunde, 2de klas, eervolle vermelding met bevordering) 1832 (bouwkunde, 3de klas, loffelijk getuigschrift met bevordering) 1833 (doorzichtkunde, 1ste klas, groot zilver) 
Henkemans, D.1822 (bouwkunde, 3de klas, getuigschrift) 
Hermans, P.A.1807 (handtekenen, 4de klas, pleisterhoofd, klein zilver) 
Heuvel, M.H. / H.M. van den1825 (bouwkunde, 3de klas, loffelijk getuigschrift) 1827 (bouwkunde, 2de klas, loffelijke vermelding) 
Heyblom, A.W.H.1849 (bouwkunde, 4de klas, 1ste afd., getuigschrift) 
Hillegondsberg, M. van (? Maarten van Hillegondsberg Rotterdam 1823)1840 (wiskunde, loffelijk getuigschrift) 1841 (wiskunde, klein brons) 1842 (wiskunde, eervol getuigschrift) 
Hilleman, J.H. (?Jacob Harmen) (Rotterdam 1824-)1841 (boetseren, 3de klas, loffelijke vermelding) 
Hils, Johan1802: handtekenen, 4de klas, naar prent, klein zilver 
Hinzel, H.N.D.1814 (handtekenen, 6de klas, prenthoofd) 
Hissink, Roland1849 (ornament, 4de klas, accessit) 
Hioolen, Dirk Cornelis (ca. 1803-1831 Rotterdam)1821 (doorzichtkunde, 3de klas, loffelijk getuigschrift) 
Hoedt, Pieter Louis (Rotterdam 1832-?)1846 (handtekenen, klein prenthoofd, 1ste afd., getuigschrift) 1848 (handtekenen, 4de klas, prenthoofd, kl. brons) 1849 (handtekenen, prentbeeld, groot brons)Scheen / RC 19-07-1856
Hoek, J.B. van der1826 (bouwkunde, 1ste klas, groot zilver) 
Hoeven, J. van der1815 (handtekenen, pleisterhoofd) 
Hoeven, P. van der1827 (bouwkunde, 4de klas, getuigschrift) 
Hol, A.1830 (bouwkunde, 4de klas, getuigschrift) 1831 (bouwkunde, 3de klas brons; doorzichtkunde, 2de klas, eervolle vermelding met bevordering) 1832 (bouwkunde, 2de klas, klein zilver) 1833 (doorzichtkunde, 1ste klas, loffelijke vermelding) 1834 (doorzichtkunde, 1ste klas, groot zilver)In 1840 vestigde een A. Hol zich als meesterloodgieter in de Breedstraat / RC 08-02-1840
Hoog, J.M.J.1814 (doorzichtkunde, 3de klas) 
Hoogbruin, Johannes Matthijs (Gorinchem 1819-1891 D. Haag)1843 (handtekenen, pleisterbeeld, groot zilver)Scheen
Hoogendam, A.1844 (ornament, 4de klas, 2de afd., getuigschrift) 
Hoogendam, H.1834 (bouwkunde, 4de klas, loffelijk getuigschrift) 1836 (bouwkunde, 2de klas, getuigschrift met bevordering) 1837 (doorzichtkunde, 2de klas, klein zilver) 
Hoogendam Hz., Wouter (Rotterdam 1806-)1825 (bouwkunde, 2de klas, klein zilver)RC 24-10-1829
Hoogstraten, D. van1849 (doorzichtkunde, 3de klas, groot brons) 
Hoogwerf, A. Verm. Hoogerwerff, Adrianus Johannes (Rotterdam 1810-1864)1820 (handtekenen, 5de klas, prentvoorbeeld, getuigschrift)Scheen / amateurschilder- en tekenaar
Hoogewerff, J.H. Jzn.1817 (handtekenen, 5de klas, prentvoorbeeld, loffelijk getuigschrift) 
Hoop, Teunis van der (R’dam 1801 – 1882 Rotterdam)1819 (handtekenen, 7de klas, loffelijk getuigschrift) 
Hoos, Pieter Harteveld (R’dam 1833-1889 Rotterdam)1849 (handtekenen, omtrek, getuigschrift; bouwkunde, 2de klas, 2de afd., groot brons) 
Horst van Lil, Gerard Herman van der (R’dam ca. 1820 –R’dam 1850)1835 (handtekenen, prenthoofd, getuigschrift), 1836 (handtekenen, pleister, zilver) 1837 (handtekenen, pleisterbeeld, groot zilver) 
Houten, C.G. van1847 (handtekenen, omtrek, getuigschrift) 
Houten, Gijsbert van (R’dam ca. 1833-1883 R’dam)1846: handtekenen, groot prenthoofd, klein brons 1847: handtekenen, prentbeeld, loffelijke verm. 1848: anatomie, 3de klas, klein brons 1849: handtekenen, pleisterhoofd, accessit 
Houten, L.T. van1845 (ornament, 5de klas, loffelijke vermelding) 
Houten Cz., Wm. van1846 (handtekenen, klein prenthoofd, 2de afd., getuigschrift) 1847 (handtekenen, prenthoofd, accessit) 
IJsselman, M.A.1847: handtekenen, klein prenthoofd, loffel. verm. 
Immerzeel, C.1825 (handtekenen, 4de klas, pleisterhoofd Apollo, loffelijke vermelding met bevordering) 
Jacobie, A.1824 (handtekenen, 3de klas, pleisterhoofd, loffelijke vermelding) 
Jansen, O.G.W.J. Friesland?-?1821 (handtekenen, 5de klas, prentmodel, loffelijk getuigschrift)Scheen / lithograaf
Jéras, J.1843 (doorzichtkunde, 3de klas, groot brons) 
Jollij, Paulus (Amsterdam 1805-1856 R’dam)1823 (bouwkunde, 4de klas, loffelijk getuigschrift)Scheen / RC 29-10-1853 / NRC 11-09-1854
Jongeneel, J.1846 (wiskunde, 1ste klas, 1ste afd., klein zilver) 
Jongeneel, P.1831 (bouwkunde, 4de klas, eervolle vermelding met bevordering; wiskunde, 1ste klas, klein zilver) 1832 (handtekenen, 4de klas, groot prenthoofd, getuigschr. met bevordering; bouwkunde, 3de klas, getuigschrift en bevordering; doorzichtkunde, 2de klas, klein zilver; wiskunde, eervolle vermelding) 
Jongh, A.C.C. de1818 (handtekenen, 5de klas, loffelijk getuigschrift) 
Jongh, J.C. de1844 (handtekenen, klein prenthoofd, getuigschrift en exemplaar van groot prenthoofd) 
Jongh, Joh. de1816 (handtekenen, 6de klas, klein prenthoofd, getuigschrift) 
Jongh, F.R. de1816 (doorzichtkunde, 3de klas, getuigschrift) 
Kaas, Hendrik Cornelis (R’dam ca. 1806-1827 R’dam)1818 (handtekenen, 7de klas, loffelijk getuigschrift) 1819 (handtekenen, 6de klas, loffelijk getuigschrift) 1821 (handtekenen, 4de klas, pleisterhoofd Ulysses, klein zilver) 1823 (wiskunde, 1ste klas, zilver) 1826 (handtekenen, 3de klas pleisterromp Venus, loffelijke vermelding; doorzichtk., 2de klas, kl. zilver) 
Kalkert, Andries van1783 (1ste klas, 1ste ereprijs zilver) 
Kellenbach, J.1839 (ornament, 3de klas, eervolle vermelding) 
Kempe Valk, J. van1841 (bouwkunde, 1ste klas, 1ste afd., loffelijke vermelding; doorzichtkunde, 2de klas, loffelijk getuigschrift met bevordering) 1842 (bouwkunde, 1ste klas, 1ste afd., groot dubbel) 
Kempe(n) Valk, Reinier van (R’dam 1792-1868 Rotterdam)1809 (bouwkunde, gedenkteken) 1810 (doorzichtkunde, 2de klas, prijs) 1811 (bouwkunde, 1ste klas, 1ste prijs; doorzichtkunde, 1ste klas, 1ste prijs)Scheen / timmerman en tekenaar van gebouwen
Kempen, P.1838 (handtekenen, 3de klas, ornament, eervolle vermelding) 1840 (doorzichtkunde, 3de klas, getuigschrift) 
Kerckhoff, C.A. van1819 (handtekenen, 5de klas, loffelijk getuigschrift) 
Ketting, W.1829 (handtekenen, 5de klas, getuigschrift met bevordering) 
Keulemans, A.1834 (handtekenen, prenthoofd, brons) 1837 (ontleedkunde voor de schilder, loffelijke vermelding) 1838 (ontleedkunde, 2de klas, getuigschrift) 
Keulemans, J.1845 (bouwkundig ornament, loffelijke vermelding) 
Keulen, P.D. van1844 (bouwkunde, 2de klas, klein zilver) 
Kievits, G.1846 (ornament, 5de klas, getuigschrift, met bevordering) 
Klausz., Nicolaas (Rotterdam 1834-)1849 (handtekenen, klein prenthoofd, getuigschrift) 
Kluit, C.1822: handtekenen, 5de klas, prentbeeld, getuigschr. 
Kock, A.E. de1832 (handtekenen, 5de klas, prentvoet, getuigschrift met bevordering) 
Koemans, M.1823 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Apollo, groot zilver) 1825 (handtekenen, 1ste klas, naakt model, goud) 
Kok, A.C. de1833 (handtekenen, 4de klas, groot prenthoofd, bevordering) 
Kolff, C. Gzn.1815 (handtekenen, prenthoofd) 
Koning, J.J. de1843 (handtekenen, klein prenthoofd, 2de afd., getuigschrift en exemplaar van prenthoofd) 
Kool van Kasteel, B.M.1844 (bouwkunde, 3de klas, 2de afd., getuigschrift) 1845 (bouwkunde, 4de klas, brons) 1846 (ornament, 4de klas, klein brons; bouwkunde, getuigschrift, met bevordering)NRC 14-12-1860 / RC 26-01-1860)
Koole, F.1845 (boetseren, 4de klas, klein brons) 
Koolen, P.J.1838 (handtekenen, 3de klas, ornament, eervolle vermelding) 
Koolhaalder, A.1827 (doorzichtkunde, 2de klas, loffelijke verm.) 1828 (doorzichtkunde, 1ste klas, eervolle verm.) 1829 (bouwkunde, 1ste klas, groot zilver) 
Kouwenhoven, J. van1819 (doorzichtkunde, 2de klas, getuigschrift) 1820 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld, getuigschrift) 1821 (handtekenen, 1ste klas, naakt model, lot tegen J.C. Sauerbier) 
Kouwenhoven, Jacob (R’dam 1777-1825 Rotterdam) Landschapschilder / Scheen / leraar Tekengenootschap / Immerzeel
Kra(a)mer, A.1820 (bouwkunde, 2de klas, klein zilver) 1821 (doorzichtkunde, 2de klas, klein zilver) 1822 (bouwkunde, 1ste klas, groot zilver) 
Kramer, J.1844 (ornament, 4de klas, 1ste afd., klein brons) 1845 (doorzichtkunde, 3de klas, groot brons) 1846 (bouwkunde, getuigschrift, met bevordering; doorzichtkunde, getuigschrift, met bevordering) 1847 (bouwkunde, 1ste klas, accessit; doorzichtkunde, 1ste klas, groot zilver) 1849 (doorzichtkunde, 1ste klas, klein zilver) 
Kuylenburg, G.1845 (boetseren, 5de klas, getuigschrift; ornament, 5de klas, getuigschrift) 1846 (boetseren, 3de klas, klein brons; ornament, 3de klas, getuigschrift, met bevordering) 1847 (boetseren, 3de klas, accessit) 
Kuypers, J.1847 (handtekenen, klein prenthoofd, getuigschrift) 
Laar, Bernardus van de (R’dam 1804 – 1872 Rotterdam)1822 (bouwkunde getuigschrift 4de klas) 1823 (bouwkunde, 3de klas, loffelijk getuigschrift; doorzichtkunde, 1ste klas, groot zilver) 1825 (bouwkunde, 1ste klas, groot zilver) In 1840 benoemd tot lid van verdienste van het GenootschapRC 01-11-1866 / RC 24-11-1866 / T.M. Eliëns, Kunst, Nijverheid, Kunstnijverheid (1990) p. 185 / V. Giersbergen, R’damse Meesters (2012) / V. Giersbergen, Op zoek naar werk (2018)
Laar, Hendrik van de1800 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Apolino, groot zilver; bouw- en doorzichtkunde, boek als aanmoediging)V. Giersbergen, Op zoek naar werk (2018)
Laar, Jan Hendrik van de (R’dam 1807 – 1874 Rotterdam)1820 (handtekenen, 6de klas, prentvoorbeeld, getuigschrift) 1824 (bouwkunde, 3de klas, loffelijk getuigschrift) 1825 (handtekenen. 2de klas, pleisterbeeld Apollo, groot zilver; doorzichtkunde, 1ste klas, groot zilver) 1826 (handtekenen, 1ste klas, naakt model, goud)Scheen / V. Giersbergen, R’damse Meesters (2012) / V. Giersbergen, Op zoek naar werk (2018) / V. Giersbergen, ‘Een album met 50 kunstenaars-portretten’,  R’dams Jb (2019)
Laar, C. van de1805 (handtekenen, 3de klas, pleisterbuste, zilver) 
Laatsman, J.E.1826 (bouwkunde, 4de klas, loffelijk getuigschrift) 
Laatsman, J.P.1828 (handtekenen, 4de klas, pleisterhoofd Homerus, klein zilver) 
Lange, F.J. de1833 (bouwkunde, 4de klas, eervolle vermelding; doorzichtkunde, 3de klas, loffelijke vermelding) 1834 (bouwkunde, 3de klas, boekwerk) 1835 (bouwkunde, 2de klas, loffelijke vermelding; doorzichtkunde, 2de klas, klein zilver) 
Lange, G.H. de1817 (handtekenen, 5de klas, prentvoorbeeld, loffelijk getuigschrift) 
Lange, Johannes Fredericus (Verm R’dam 1767-1828 D.Haag)1791 (1ste klas, 1ste ereprijs) 1792 (buitengewone ereprijs)Scheen
Ledeboer, P.J.C. (Paulus Jacob Cornelis) (Rotterdam 1807-)1817: doorzichtkunde, 3de klas, loffelijk getuigschr. 1818: doorzichtkunde, 2de klas, zilver 1820: handtekenen, 7de klas, naar prent, getuigschr. 
Lehman, J.S.J. (? Johan Sebastiaan Jakob Lehmann Rotterdam 1823-1890 Rotterdam)1838 (handtekenen, groot prentbeeld, brons; bouwkunde, 4de klas, loffelijk getuigschrift) 1839 (handtekenen, prentbeeld, klein zilver; bouwkunde, 3de klas, brons) 1841 (doorzichtkunde, 1ste klas, 2de afd., groot zilver) 1842 (ontleedkunde, 2de klas, klein zilver) 
Leliman, Johannes Hermanus (A’dam 1828-1910 A’dam)1844 (ornament, 2de klas, klein zilver; doorzichtkunde, 3de klas, loffelijke vermelding) 1845 (bouwkunde, 2de klas, klein zilver) 1846 (bouwkunde, 1ste klas, 2de afd., groot zilver; doorzichtkunde, 2de klas, klein zilver)Architect / vz. Maatschappij tot Bevordering van Bouwkunst
Leyden, A. van1825 (handtekenen, 4de klas, pleisterhoofd Apollo, klein zilver) 1826 (handtekenen, 3de klas pleisterromp Venus, groot zilver) 
Linden, F.J. van der1815 (handtekenen, klein prenthoofd) 
Lingeler, J.1841 (bouwkunde, 3de klas, groot brons) 
Lingeler, J.B.1842 (bouwkunde, 2de klas, loffelijke vermelding) 
Link, J.J.1841 (boetseren, 3de klas, klein brons) 1842 (ornament, 3de klas, groot brons) 
Lonck, G.J.1825: handtekenen, prent, bevordering pleisterklas 
Loon, J. van1833: handtekenen, 5de klas, prenthand,  getuigschr. 
Loosbroek, Johannes Petrus van (R’dam 1799-1870 Rotterdam)1816 (handtekenen, 4de klas, pleisterhoofd, zilver)Scheen / verzamelaar kunst / amateurschilder
Maas, A.C.1846 (ornament, 5de klas, getuigschrift, met bevordering) 1848 (ornament, 2de klas, accessit) 
Maassen jr., J.W.1840 (handtekenen, groot prenthoofd, getuigschr.) 1843 (handtekenen, pleisterhoofd, klein zilver) 1841 (handtekenen, prentbeeld, groot brons) 1845 (handtekenen, pleisterbeeld, groot zilver; ontleedkunde, 1ste klas, 1ste afd., groot zilver) 
Maris, J.W.1844 (bouwkunde, 3de klas, 1ste afd., groot brons) 
Maronier, P.1842 (handtekenen, groot prenthoofd, getuigschr.) 1843 (anatomie, 3de klas, groot brons) 1844 (ontleedkunde, 1ste klas, 2de afd., zilver) 
Martin, Elias Johannes St.1809 (handtekenen, 5de klas, prentbeeld, klein zilver; doorzichtkunde, gedenkteken) 
Maystre, Balthasar (Rotterdam ca. 1825-)1841 (boetseren, 3de klas, loffelijke vermelding) 1842 (boetseren, 3de klas, klein brons) 1843 (boetseren, 2de klas, groot brons) 1844 (boetseren, 1ste klas, klein zilver) 
Meenerbreukel, R.J. (Nijmegen 1811-1882 R’dam)1824 (handtekenen, 5de klas, prenthoofd, getuigschrift)Scheen
Meenerbreuker, J.1831 (handtekenen, prenthand, getuigschrift) 1832 (handtekenen, 3de klas, pleisterhoofd Isocrates, loffelijke vermelding met bevordering) 1834 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Silenus, groot zilver) 
Meer, J. van der1828 (bouwkunde, 2de klas, klein zilver) 
Meijer, Gillis de (R’dam 1790-1867 Utrecht)1805: handtekenen, 4de klas, pleisterhoofd, kl. zilver 1807: handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Prometheus, accessit 1809: handtekenen, 1ste klas, naakt model, goudV. Giersbergen, R’damse Meesters (2012) / V. Giersbergen, Op zoek naar werk (2018)
Meijer jr, Jacob de (R’dam 1798-1884 Rotterdam)1810 (handtekenen, 5de klas, prentbeeld, zilver) 1811 (handtekenen, 3de klas, pleisterromp, zilver) 1814 (doorzichtkunde, 1ste klas, boek) 1816 (handtekenen, naakt, groot zilver)V. Giersbergen, R’damse Meesters (2012) / V. Giersbergen, Op zoek naar werk (2018)
Meijer, J. de1819 (bouwkunde, 2de klas, klein zilver; doorzichtkunde, 3de klas, loffelijk getuigschrift) 1820 (doorzichtkunde, 2de klas, klein zilver) 
Metzelaar, Johan Frederik (R’dam 1818-1897 Den Haag)1835 (handtekenen, ornament, eervolle vermelding; bouwkunde, 3de klas, brons) 1836 (bouwkunde, 2de klas, klein zilver) 1837 (bouwkunde, 1ste klas, met het lot tegen W.A. Scholten loffelijk getuigschrift; doorzichtkunde, 1ste klas, groot zilver)Architect / Eliëns (1990) p. 188
Miechielsen / Michielsen, M.1840 (ornament, 3de klas, klein brons) 1841 (ornament, 2de klas, loffelijke vermelding) 1844 (handtekenen, pleisterhoofd, klein zilver) 1846 (handtekenen, pleisterbeeld, groot zilver) 1848 (handtekenen, 1ste klas, naaktmodel, dubbel zilver) 
Miegielsen, W.1845 (ornament, 3de klas, groot brons) 
Michielsen, Matthijs Willem Gerardus (R’dam 1824-1876 Rotterdam)1842 (handtekenen, groot prenthoofd, klein brons) 1843 (handtekenen, prentbeeld, groot brons)Scheen / lithograaf, tekenaar, steendrukker
Middendorp, B.J.1843 (boetseren, klein brons) 
Middendorp, C.J.1844 (boetseren, 2de klas, groot brons) 1845 (boetseren, 2de klas, klein zilver; ornament, 2de klas, klein zilver) 
Milders, J.J.1842 (wiskunde, groot brons) 
Mitschke, Joseph Christoph Leopold (Rotterdam 1824-)1843 (handtekenen, prenthoofd, getuigschrift) 
Monseur, D.1823 (handtekenen, 8de klas, klein prentmodel, loffelijk getuigschrift) 
Monseur, J.1814 (handtekenen, 4de klas, pleisterhoofd) 
Montauban van Swijndregt, François (R’dam 1784-1865 Rotterdam)1799 (3de klas, pleisterhoofd Ino Leucothea, klein zilver; bouw- en doorzichtkunde, boek) 1800 (2de klas, pleisterbeeld Apolino, aanmoediging; bouw- en doorzichtkunde, zilveren passer als aanmoediging) 1801 (1ste klas, naakt model, goud)Portretschilder / Scheen / vanaf 1823 corrector Tekengenootschap / V. Giersbergen, R’damse Meesters (2012)
Montauban van Swijndregt, G.B.1837 (bouwkunde, 4de klas, loffelijk getuigschrift) 1838 (bouwkunde, 3de klas, brons) 1839 (doorzichtkunde, 2de klas, klein zilver) 1840 (ornament, 2de klas, loffelijk getuigschrift; bouwkunde, 2de klas, getuigschrift) 
Montauban van Swijndregt Fz., jr, Nicolaus (R’dam 1810 – 1846 Rotterdam)1824 (handtekenen, 3de klas, pleisterhoofd, klein zilver) 1826 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Germanicus, accessit met bevordering) 1827 (handtekenen, 1ste klas, loffelijke vermelding) 1828 (handtekenen, 1ste klas, naakt mansmodel, goud)Portret- en binnenhuisschilder /RC 12-09-1837/ prijsvraag 1836 Tekengenootschap gouden medaille en accessit
Moonen, M. (?Marinus Moonen) (Rotterdam 1833-)1848 (bouwkunde, 4de klas, getuigschrift) 1849 (bouwkunde, 3de klas, klein zilver) 
Moormans, Franciscus Leonardus Johannes (R’dam 1832-verm. Parijs na 1886)1848 (handtekenen, 6de klas, omtrek accessit; bouwkunde, 4de klas, accessit; doorzichtkunde, 3de klas, accessit)Scheen
Moulijn, P.M.1835 (handtekenen, prenthoofd, loffelijke vermelding met bevordering) 
Mounier, P.J.J.1818 (handtekenen, 3de klas, pleisterromp Venus, zilver) 
Mulder, J.A.1843 (bouwkunde, 4de klas, klein brons) 
Nagtegaal, Pieter1802 (handtekenen, 3de klas, pleisterbuste Niobe, getuigschrift) 1803 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Apollo, accessit met bevordering naar de naaktklas) 
Nahuys, A.P. van1832 (bouwkunde, 4de klas, loffelijk getuigschrift) 
Netscher, G.J. (of Gaspar Jacobus) (Rotterdam 1792-); of Gerard Johan *1795)1810 (handtekenen, 6de klas, groot prenthoofd, loffelijk getuigschrift) 1811 (handtekenen, 4de klas, pleisterhoofd, zilver)Broer van W.A. Netscher
Netscher, Willem Adrianus (R’dam 1791-1851 Antwerpen)1807: handtekenen, 6de klas, prenthoofd, getuigschr. 1811: handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld, accessitScheen / kunsthandelaar / broer G.J. Netscher / RC 23-10-1851
Neurdenburg, Christoffel (R’dam 1817-1906 Den Haag)1831 (handtekenen, groot prenthoofd, loffelijk getuigschrift met bevordering) 1839 (handtekenen, ontkleed model, goud)Binnenhuisschilder / Scheen / gaf les aan G.H. Breitner / RC 5-10-1839
Nienhaus, H.J.W.1805 (handtekenen, 7de klas, klein prenthoofd, getuigschrift 
Nievelt, B.F. van (? Barend Ferdinand van Nievelt) (Delft ca. 1819-1851 R’dam)1832 (handtekenen, 5de klas, prentvoet, getuigschrift met bevordering) 1833 (handtekenen, 4de klas, groot prenthoofd, brons)RC 13-11-1851 / trouwt in 1842 met de zus van Christoffel Neurdenburg
Nigtegael, Jan1786 (1ste klas, ereprijs, zilver) 
Noorberg, Gerrit Rogge1798 (handtekenen, 3de klas, pleisterhoofd Ulysses, klein zilver) 
Noordwijns, Nicolaas Jacobus (R’dam 1790-1872 Rotterdam)1803 (handtekenen, 5de klas, prenthoofd Homerus, klein zilver) 1805 (handtekenen, 5de klas, pleisterhoofd, verdiende lof) 1806 (handtekenen, 4de klas, pleisterhoofd, klein zilver) 1807 (handtekenen, 3de klas, pleisterromp, zilver) 1811 (doorzichtkunde, 2de klas, gewone prijs)Scheen
Obreen, J.M. (Johannes Marinus) (A’dam 1810-1877 Den Haag)1829 (handtekenen, 4de klas, getuigschrift met bevordering)Leraar recht- en zeevaartkundig tekenen Koninklijk Inst. Marine Medemblik / RC 26-05-1835 / Jaarboek Mij. der Nederlandse Letterkunde 1878,  J.J. Backer Dirks, ‘Levensberigt van Johannes Marinus Obreen’, pp. 95-105
Oeffelage, P.W. (?Pieter Wilhelm) (Rotterdam 1817-)1837 (doorzichtkunde, 3de klas, brons) 1838 (doorzichtkunde, 2de klas, getuigschrift) 1839 (ornament, 2de klas, getuigschrift; bouwkunde, 2de klas, getuigschrift)RC 29-95-1847
Oerden, T.F.1839 (bouwkunde, 1ste klas, 1ste afd., groot dubbel zilver) 
Oerder, F.1834: bouwkunde, 2de klas, loffelijke vermelding) 1835: bouwkunde, 2de klas, klein zilver) 1836: bouwkunde, 1ste klas, groot zilver) 1837: doorzichtkunde, 2de klas, loffelijk getuigschrift met bevordering 1838: handtekenen, groot prenthoofd, getuigschrift 
Oosterzee, Willem Joan van (R’dam 1791-1847 Rotterdam)1808: handtekenen, 6de klas, prenthoofd, getuigschr. 1810: handtekenen, 3de klas, pleisterromp Amor, zilver 1811: doorzichtkunde, 3de klas, gewone prijsKunsthandelaar
Ophemert, N. van1847 (ornament, 5de klas, accessit) 
Opzoomer, C.W. (Cornelis Wilhelmus) (R’dam 1821-1892 Oosterbeek)1835 (wiskunde, loffelijk getuigschrift)Jurist, filosoof, theoloog, broer van Hendrik en Simon Opzoomer
Opzoomer, H. (Hendrik) (Rotterdam 1809-)1823 (handtekenen, 6de klas, groot prenthoofd, loffelijk getuigschrift) 1825 (handtekenen, 4de klas, pleisterhoofd Apollo, loffelijke vermelding met bevordering)Broer van C.W. en S. Opzoomer
Opzoomer, Simon (R’dam 1807-1878 Antwerpen)1819: wiskunde, 2de klas, lot tegen C. Staats 1823: doorzichtkunde, 3de klas, loffelijk getuigschr. 1824: handtekenen, 1ste klas, pleisterbeeld, gr. zilverBroer van C.W. en H. Opzoomer / RC 14-04-1829 / RC 15-12-1842
Otterlo, M.J. van1847 (handtekenen, pleisterhoofd, accessit; anatomie, 3de klas, klein brons) 
Overbeek de Meijer, G. van1843 (wiskunde, 2de klas, groot brons) 
Peter, G.W.1820: handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld, gr. zilver 
Peter, H.J.1844 (ontleedkunde, 2de klas, groot brons) 
Peter, J.H.W.1845 (bouwkunde, 1ste klas, 2de afd., getuigschrift) 
Pieters, V.J.1831 (handtekenen, 3de klas, pleisterhoofd Marcus Aurelius, klein zilver) 
Pijnappels, Franciscus Hermanus (R’dam 1812-1859 Rotterdam)1825 (handtekenen, 5de klas, klein pleisterhoofd Julius Cesar, brons) 1828 (handtekenen, 4de klas, loffelijke vermelding met bevordering)RC 10-08-1859
Platering, H.1823 (bouwkunde, 2de klas, klein zilver) 
Pleisier, A.1840 (ontleedkunde, 2de klas, getuigschrift) 
Polder, J.A. van de1842 (boetseren, 4de klas, klein brons) 
Poll, W.J. van de1834 (wiskunde, 1ste klas, loffelijke vermelding) 
Pot, A. van der1827 (bouwkunde, 2de klas, klein zilver; doorzichtkunde, 3de klas, brons) 1828 (doorzichtkunde, 2de klas, klein zilver) 1829 (4de klas: getuigschrift met bevordering; bouwkunde, 1ste klas, groot zilver; doorzichtkunde, 1ste klas, groot zilver) 1830 (3de klas, loffelijke vermelding met bevordering) 
Preij, Johannes Zacharias Simon (Praag 1749-1822 ’s-Hertogenb.)1795 (2de klas, pleisterbeeld Laocoön, groot zilver)Tekenleraar bij het Genootschap / V. Giersbergen, R’damse Meesters (2012)
Prost, P.J.  (?Petrus Johannes) (R’dam 1818-1883 Rotterdam)1835 (doorzichtkunde, 3de klas, getuigschrift) 
Putten, A.S. van de1843 (wiskunde, 1ste klas, klein zilver) 1844 (wiskunde, loffelijke vermelding) 
Rahms, Eberhard Cornelis (R’dam 1823-1907 Oudewater)1840 (handtekenen, klein prenthoofd, getuigschrift) 1842 (handtekenen, prentbeeld, groot brons; ontleedkunde, 3de klas, groot brons) 1844 (ontleedkunde, 1ste klas, 2de afd., getuigschrift) 1847 (doorzichtkunde, 2de klas, klein zilver)Scheen / ll. van J.H. van de Laar
Reckers, Cornelis Hendrik Mari (Rotterdam 1827-)1844 (handtekenen, klein prenthoofd, loffelijke vermelding) 
Rede, H.P. van1844 (ornament, 3de klas, loffelijke vermelding; bouwkunde, 3de klas, 2de afd., klein brons) 
Reede, H.K. van1832 (handtekenen, 5de klas, prentvoet, getuigschr.) 
Reyn, J. van1842 (handtekenen, klein prenthoofd, 2de afd., getuigschrift) 
Rietstap W.Hz., J.B.1842 (bouwkunde, 4de klas, klein brons)Auteur bouwkundige boeken / medewerker Kunstkronijk 1861 / broer van T.M. Rietstap
Rietstap, T.M. (Thomas Marinus) (Rotterdam 1833-)1848 (bouwkunde, 4de klas, accessitBroer van J.B. Rietstap
Rijckevorsel Hzn., Abr. van (Rotterdam ca. 1781-)1805 (handtekenen, 5de klas, pleisterhoofd, vermelding) 1806 (handtekenen, 3de klas, pleisterbuste, zilver) 1807 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Prometheus, groot zilver)trouwt in 1813 met St. Martin
Rikkers, Willem (Amsterdam 1812-1873 R’dam)1829 (handtekenen, 4de klas, pleisterhoofd Caracalla, klein zilver) 1830 (3de klas, loffelijke vermelding met bevordering)Scheen / leraar ABKTW / fotograaf
Ris, C.1839 (bouwkunde, 3de klas, getuigschrift) 1840 (wiskunde, klein brons), 1841 (ornament, 1ste klas, groot zilver; wiskunde, eervol getuigschrift) 1842 (wiskunde, opnieuw eervol getuigschrift) 
Rits, P.T.1822 (bouwkunde, 2de klas, klein zilver) 
Ritsch / Rits, P.F.A.1823 (bouwkunde, 1ste klas, groot zilver) 1825 (beschrijvende meetkunde, 1ste klas, kl. zilver) 
Robertson, A.1818 (handtekenen, 6de klas, loffelijk getuigschrift) 
Romein, T.1831 (handtekenen, ornament, loffelijk getuigschrift; bouwkunde, 2de klas, klein zilver; doorzichtkunde, 2de klas, klein zilver; wiskunde, 1ste klas, lot tegen P. Jongeneel, eervolle vermelding) 1832 (bouwkunde, 1ste klas, groot zilver; doorzichtkunde, 1e klas, groot zilver; wiskunde, 1ste klas, klein zilver) 
Roode, Nicolaas Johannus Wilhelmus de  (Voorburg 1814-1884 D. Haag)1830 (handtekenen, 3de klas, pleisterromp Germanicus, groot zilver; doorzichtkunde, 3de klas, brons) 1831 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Prometheus, accessit met getuigschr.; doorzichtk., 2de klas, eervolle vermelding met bevordering) 1832 (handtekenen, 1ste klas, naakt mansmodel, dubbel zilver)Scheen / portretschilder
Roosing, P.1821 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Antinous, groot zilver) 1822 (handtekenen, 1ste klas, naaktmodel, goud) 
Roosing, Pieter (R’dam 1794-1839 Rotterdam)1809 (handtekenen, 7de klas, klein prenthoofd, loffelijk getuigschrift)RC 11-07-1826 / graveur / V.d. Aa, Biographisch Woordenboek, p. 465 / R’dams Jb (1998) / V. Giersbergen,  R’damse Meesters (2012) / RC 27-05-1826 / RC 23-02-1837 / RC 13-09-1831 / RC 14-05-1839 / RC 30-11-1839
Roosing jr., Willem (Rotterdam 1787-)1806 (doorzichtkunde, 1ste prijs) 1809 (doorzichtkunde, gedenkteken)Zn van Willem Roosing (Breukelen 1755-1840 Rotterdam) / drukker
Rozenraad, J.M.P.1839 (doorzichtkunde, 3de klas, brons) 
Rueb Chrz., Adolf Stefanus (Rotterdam 1806-)1820 (meetkunde, klein zilver) 
Ruichaver, M.J. (?Martinus Jan) (R’dam 1805-1848 Rotterdam)1819 (handtekenen, 4de klas, pleisterhoofd Meleager, klein zilver) 1820 (handtekenen, 3de klas, pleisterromp, middelste zilveren medaille)Stadsheel- en vroedmeester / RC 15-02-1848
Ruysenberg, Frans1803 (handtekenen, 3de klas, pleisterbuste Venus, zilver) 
Sauerbier, J.C.1817 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Adonis, zilver) 1821 (handtekenen, 1ste klas, naakt model, goud, lot tegen J. Kouwenhoven)Eliëns (1990) p. 196 / RC 03-05-1851 wereldtt. Londen
Savoyen, J.W. van (Isaac Wouter) (Rotterdam 1802-1890 R’dam)1816 (handtekenen, 5de klas, groot prenthoofd, getuigschrift)RN 19-04-1890
Schakers, H.B. (Hermanus Bartholomeus) (Rotterdam 1829-)1846 (bouwkunde, getuigschrift, met bevordering) 1847 (ornament, 4de klas, accessit) 1848 (ornament, 3de klas, accessit; bouwkunde, 2de klas, 1ste afd., klein zilver) 
Scheepes, W.H.1836 (handtekenen, ornament, getuigschrift) 
Schell, Andries sr.  (Rotterdam 1783–1847 R’dam)1801 (handtekenen, 4de klas, prenttekening vrouwenhoofd, klein zilver) 1802 (handtekenen, 3de klas, pleisterbuste Niobe, zilver; bouw- en doorzichtkunde, passer) 1803 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Apollo, groot zilver; bouw- en doorzichtkunde, loffelijk getuigschrift) 1804 (handtekenen, naakt mansmodel, goud)Scheen / rijtuigschilder / RC 17-06-1820 / RC 05-01-1828 / RC 06-07-1841 / RC 05-10-1820
Schell Az., Andries (R’dam 1827–1881 Den Haag)1845 (bouwkunde, 3de klas, getuigschrift) 1847 (boetseren, 2de klas, loffelijke melding) 1848 (boetseren, 2de klas, loffelijke vermelding)Steenhouwer / NRC 22-04-1858 / NRC 25-12-1858
Schellings, Jb.1805 (doorzichtkunde, werktuigkundig instrument) 
Schenk, J.1832 (handtekenen, 6de klas, ornament, eervolle vermelding) 
Scherpenhuisen, Philippus Christiaan (R’dam 1784-1852 Rotterdam)1800: handtekenen, 4de klas, prentvoet, getuigschr. 1803: handtekenen, 4de klas, pleisterhoofd, kl. zilver 1804: handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Germanicus, groot zilver 1806: handtekenen, 1ste klas, naakt model, goudBlikslager /lampenmaker / RC 01-05-1847
Schintzel, Hendrik Nicolaas David (R’dam 1799-1855 Rotterdam)1814R.Jb. 1914 / RC 26-11-1835
Schipper, R.1847 (bouwkunde, 4de klas, 1ste afd., groot brons) 
Schmidt, F.1840 (handtekenen, groot prenthoofd, klein brons) 
Schmidt, H.1847 (ornament, 4de klas, brons) 1848 (handtekenen, 6de klas, omtrek, getuigschrift) 1849 (ornament, klein zilver) 
Schmidt, Willem Hendrik (Rotterdam 1809-1849 Delft)1822 (3de klas, romp Antinoös, middelste zilveren medaille) 1826 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Germanicus, dubbel zilver) 1827 (1e klas, naakt mansmodel, gouden medaille)V. Giersbergen, Willem Hendrik Schmidt (2009)
Schmidt Bouwmeester, Johan (Rotterdam 1825-)1842 (wiskunde, 2de klas, klein brons) 1843 (bouwkunde, 2de klas, klein zilver; doorzichtkunde, 3de klas, getuigschrift) 1844 (doorzichtkunde, 2de klas, klein zilver; wiskunde, klein zilver) 1845 (bouwkunde, 1ste klas, 2de afd., groot zilver; doorzichtkunde, 1ste klas, groot zilver; wiskunde, 1ste klas, loffelijke vermelding) 1846 (bouwkunde, 1ste klas, 1ste afd., loffelijke vermelding)Architect / lid Mij. Tot Bevordering der Bouwkunst /RC 27-06-1857 / RC 24-04-1857 / RC 01-06-1865 / 1851 leraar ABKTW / trouwt in 1853 G.C. de Meijer, dr. van Jacob de Meijer  
Schmidt Crans, Johan Michaël (R’dam 1830-1907 Den Haag)1845 (ontleedkunde, 1ste klas, 2de afd., eervolle vermelding) 1846 (handtekenen, pleisterbeeld, getuigschrift met bevordering; ontleedkunde, 1ste klas, klein zilver) 1847 (naakt mansmodel, groot dubbel zilver; anatomie, 1ste klas, groot zilver)1845-1849 les van J.H. van de Laar / Scheen / leraar Academie BK in Den Haag
Schölgens, Josephus Adrianus (ca. 1825-1869 Rotterdam)1844 (ornament, 4de klas, 2de afd., getuigschrift met bevordering)Broer van W.H. Schölgens  
Schölgens, Wilhelmus Hendricus (ca. 1824-1879 Rotterdam)1844 (ornament, 3de klas, groot brons) 1845 (ornament, 2de klas, getuigschrift)Broer van J.A. Schölgens / NRC 20-03-1864 / NRC 23-02-1868
Schoenmaker, J.1814 (doorzichtkunde, 2de klas) 1815 (doorzichtkunde, 1ste klas) 
Scholten, H.1821 (handtekenen, 6de klas, prentmodel, loffelijk getuigschrift)Scheen / lithograaf
Scholten, Willem Antonie (R’dam 1818-1861 Rotterdam)1833 (handtekenen, 3de klas, pleisterhoofd Niobe, klein zilver) 1834 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Silenus, bevorderd naar de naaktklas; wiskunde, 1ste klas, klein zilver) 1836 (doorzichtkunde, 1ste klas, groot zilver) 1837 (bouwkunde, 1ste klas, groot zilver) 1838 (handtekenen, pleisterbeeld, getuigschrift) 
Schutze van Houten, Christiaan Godfried (R’dam 1807 – 1869 Rotterdam)1820 (handtekenen, 4de klas, pleisterhoofd, klein zilver)Etser / Scheen / 1843-1851 bestuurslid Teekengenootschap
Sensen, C.1849 (ornament, 3de klas, groot brons) 
Siebes, G.1811 (bouwkunde, 3de klas, gewone prijs) 
Sijp, Gerardus van der (Wamel ca. 1809-1888 R’dam)1832 (doorzichtkunde, 3de klas, brons) 1833 (bouwkunde, 2de klas, eervolle vermelding) 
Slier, B.J.1823 (handtekenen, 4de klas, pleisterhoofd Hercules, klein zilver) 1824 (handtekenen, 2de klas, pleisterromp, zilver) 
Snoek, Jeremias Michael1788: 4de klas, 4de ereprijs; ‘aan den Jood’ Snoek 
Soetermeer, Marie Cornelis Johannis (R’dam 1821-1857 Den Haag)1840 (handtekenen, groot prenthoofd, getuigschr.) 1841 (handtekenen, prentbeeld, loffelijke  verm.) 1842 (handtekenen, pleisterhoofd, klein zilver) 1843 (anatomie, 2de klas, klein zilver) 1844 (ontleedkunde, 1ste klas, 1ste afd., groot zilver; doorzichtkunde, 3de klas, groot brons)Scheen
Somer, David Jacob Cornelis (R’dam 1824-1876 Rotterdam)1838 (handtekenen, klein prenthoofd, loffelijk getuigschrift)RC 11-04-1855
Soudijn, Johannes Adrianus (R’dam 1833-1853 Rotterdam)1849 (bouwkunde, 2de klas, 2de afd., accessit) 
Specht Grijp, H.1846 (doorzichtkunde, 3de klas, getuigschrift, met bevordering) 
Spek Obreen, H.A. van der1825 (doorzichtkunde, 3de klas, loffelijk getuigschrift)RN 08-07-1882 / RC 17-09-1839 / RC 04-05-1861
Spoel, Jakob (R’dam 1820 – 1868 Rotterdam)1838 (handtekenen, pleisterhoofd, klein zilver) 1839 (handtekenen, pleisterromp, groot zilver) 1840 (handtekenen, pleisterbeeld, groot zilver; ontleedkunde, 1ste klas, groot zilver) 1841 (handtekenen, levend naakt, dubbel gr. zilver)Portretschilder / docent handtekenen Academie 1852 / Scheen
Sprong, G. van der1823 (doorzichtkunde; 2de klas, klein zilver) 
Spuibroek, S.1842 (ornament, 3de klas, loffelijke vermelding) 
Spuybroek, J.1843 (ornament, 3de klas, groot brons) 
Staats, Cd.1818 (doorzichtkunde, 3de klas, loffelijk getuigschr.) 1819 (wiskunde, 2de klas, loffelijk getuigschrift) 1820 (bouwkunde, 1ste klas, middelgr. zilveren medaille) 1821 (wiskunde, 1ste klas zilver) 1822 (doorzichtkunde, 1ste klas, groot zilver) 1823 (handtekenen, 3de klas, pleisterromp Torso, loffelijke vermelding) 
Stigt Thans, Jan van (R’dam ca. 1832-1873 R’dam)  1846 (bouwkundig ornament, getuigschrift, met bevordering) 
Stoeller, C.1845 (boetseren, 3de klas, groot brons) 
Stoeller Wz., Jacobus Christoffel (Rotterdam ca. 1826-)1841 (boetseren, 3de klas, loffelijke vermelding) 1844 (boetseren, 3de klas, klein brons; ornament, 2de klas, loffelijke vermelding) 1846 (boetseren, 2de klas, groot brons)NRC 30-12-1851 / Eliëns (1990) p. 200 / NRC 02-01-1868
Swieten, Jacob van1802 (handtekenen, 4de klas, prentvoet, getuigschr.) 
Tabink, A. (Adrianus Tabink) (R’dam ca. 1831–1876 R’dam)1845 (ornament, 4de klas, loffelijke vermelding)NRC 21-08-1860
Tak, J. van der1846 (handtekenen, klein prenthoofd, 1ste afd., getuigschrift)Eliëns (1990) p. 201
Tas Lz., J. van der1846 (ornament, 4de klas, getuigschrift met bevordering) 1847 (ornament, 3de klas, groot brons)Eliëns (1990) p. 201
Tavenraat, Johannes (R’dam 1809 – 1881 Rotterdam)1826 (handtekenen, pleisterhoofd Hercules, klein zilver) 1827 (handtekenen, 3de klas, pleister Silene, groot zilver) 1828 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Silene, dubbel zilver)R. de Leeuw, Johannes Tavenraat (1981) / V. Giersbergen, Op zoek naar werk (2018)
Teljer, Hendrik (R’dam 1791-1812 Rotterdam)1805 (handtekenen, 5de klas, prentbeeld, klein zilver) 
Teljer, Jan1804: handtekenen, 4de klas, pleisterhoofd, kl. zilver 1805: handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Amor, groot zilver 1808: handtekenen, 1ste klas, naakt model, goud; bouwkunde, werktuigkundig instrument 
Teljer, C. (Casper) (Rotterdam 1803-)1821 (doorzichtkunde, 1ste klas, groot zilver)Zoon van Nicolaas Teljer?
Teljer, Nicolaas1791 (handtekenen, 3de klas, 3de ereprijs, met het lot tegen Hendr. Dekker)Vader van Casper Teljer?
Termaten, Willem (? Rotterdam 1892-)1810 (bouwkunde, 3de klas, prijs) 
Thans, Willem M. (Rotterdam 1816-na 1853)1840 (handtekenen, pleisterromp, groot zilver; ontleedkunde, 2de klas, klein zilver) 1841 (doorzichtkunde, 3de klas, klein brons)Kaarslichtschilder / Scheen / Immerzeel
Thomas, C.1845 (bouwkunde, 4de klas, getuigschrift) 
Tierens, Abraham1808 (handtekenen, 4de klas, pleisterhoofd Meleager, klein zilver) 1809 (handtekenen, 3de klas, pleisterromp Torso, zilver) 1810 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Prometheus, groot zilver) 
Timmerman, W. de1841 (handtekenen, pleisterhoofd, klein zilver) 
Timmers, B.1839 (ornament, 2de klas, klein zilver) 
Timmers, P.1838 (handtekenen, 2de klas, ornament, eervolle vermelding) 1840 (ornament, 1ste klas, groot zilver; bouwkunde, 4de klas, klein brons) 
Timmers, W.1839 (ornament, 2de klas, eervolle vermelding) 
Tol, Jan van1805: handtekenen, 6de klas, prenthoofd, getuigschr. 
Tollenaar, F.1836 ((handtekenen, prenthoofd, getuigschrift met bevordering) 1838 (doorzichtkunde, 3de klas, eervolle verm.) 
Tollenaar, J.H. (?Johannes Hendrikus) (Den Haag ca. 1816-1853 R’dam)1833 (wiskunde, 2de klas, getuigschrift) 1834 (handtekenen, prentvoet, onderscheidende vermelding) 1835 (handtekenen, pleisterhoofd Marcus Aurelius, klein zilver; bouwkunde, 4de klas, getuigschrift; doorzichtkunde, 3de klas, getuigschrift) 
Tongeren, E. van1831 (doorzichtkunde, 3de klas, eervolle vermelding met bevordering) 
Top, W.1848 (bouwkunde, 1ste klas, 2de afd., accessit) 
Torley, Jan Hendrik1808 (handtekenen, 7de klas, klein prenthoofd, loffelijk getuigschrift) 1809 (bouwkunde, gedenkteken) 1811 (bouwkunde, 2de klas, gewone prijs) 
Traa, W. / M. van1819 (wiskunde, 1ste klas, boek) 1822 (handtekenen, 7de klas, klein prenthoofd, getuigschrift) 
Trouselot, T.I.P. / F.J.P.1832 (handtekenen, 4de klas, groot prenthoofd, loffelijk getuigschrift met bevordering) 1833 (handtekenen, 6de klas, ornament, loffelijk getuigschrift)NRC 28-07-1849
Tulling, Willem Eliza (Rotterdam 1816-)1840 (handtekenen, pleisterhoofd, getuigschrift; boetseren, 2de klas, groot brons) 1841 (handtekenen, pleisterromp, groot zilver; boetseren, 1ste klas, zilver) 1842 (handtekenen, pleisterbeeld, groot zilver; boetseren, 1ste klas, klein zilver) 
Uytenbroeck Drost, R.1825: handtekenen, prent, bevordering pleisterklas 1826: doorzichtkunde, 3de klas, brons 1827: bouwkunde, 3de klas, brons; meetkunde, 2de klas, getuigschrift 1829: bouwkunde, 2de klas, klein zilver; doorzichtkunde, 2de klas, klein zilver 1830: doorzichtkunde, 1ste klas, groot zilver; wiskunde, klein zilver 1833: bouwkunde, 1ste klas, groot zilver; wiskunde, buitengewoon getuigschrift 
Val, Augustinus1783 (2de klas, 2de ereprijs, zilver) 
Valk, Cornelis1803 (handtekenen, 5de klas, klein prenthoofd, getuigschrift) 
Valk, J.1836 (bouwkunde, 4de klas, loffelijk getuigschrift) 1837 (bouwkunde, 3de klas, brons) 1838 (2de klas, ornament, eervolle vermelding; bouwkunde, 2de klas, klein zilver; doorzichtkunde, 3de klas, brons) 1839 (bouwkunde, 1ste klas, 2de afd., getuigschrift) 1840 (bouwkunde, 1ste klas, 2de afd., groot zilver) 
Valkenier, Gabriël1791 (handtekenen, 2de klas, 2de ereprijs) 
Veekmans, Johannes Andreas (Rotterdam 1806-)1823 (wiskunde, 2de klas, loffelijk getuigschrift) 
Veenendaal, J.H. van1846 (wiskunde, 2de klas, groot brons) 1847 (wiskunde, 1ste klas, klein zilver) 
Velthuysen, P.A.1843 (ornament, 4de klas, 2de afd., getuigschrift) 
Velthuyzen, M.1845 (ornament, 4de klas, loffelijke vermelding) 1846 (ornament, 3de klas, groot brons) 1848 (ornament klein zilver 2de klas) 
Verbeek, J.1839 (handtekenen, klein prenthoofd, getuigschrift) 
Verburgh, Cornelis Gerrit (R’dam 1802 – 1879 Rotterdam)1816 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld, accessit) 1817 (doorzichtkunde, 2de klas, zilver) 1819 (handtekenen, 1ste klas, naakt model, goud; wiskunde, lot tegen M. van Traa) 1820 (doorzichtkunde, 1ste klas, middelgr. zilveren medaille) 1824 (bouwkunde 2de klas loffelijke vermelding)Landschapschilder; onderwijzer ornament academie 1851 / Scheen
Verhagen, P.1840 (handtekenen, klein prenthoofd, getuigschrift) 
Verheul, D.1846 (doorzichtkunde, 3de klas, groot brons) 
Verheyde, H.A.1848 (ornament, 4de klas, 2de afd., getuigschrift) 
Verhoeff, Johannis Cornelis1810 (bouwkunde, 2de klas, prijs; doorzichtkunde, 3de klas, prijs) 
Verkade, E.G.1814 (handtekenen, 5de klas, prentbeeld) 1817 (handtekenen, 3de klas, pleisterromp Torso, zilver) 1819 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Antinous, groot zilver) 
Verlagen, J.C.1846 (ornament, 4de klas, getuigschrift, met bevordering) 
Verloove, Cornelis Johannes (R’dam 1831-na 1876 R’dam)1846 (handtekenen, omtrek, getuigschrift) 
Vermeulen, C.W.1847 (ornament, 4de klas, accessit) 
Vermeulen, D.A.C.G.1811 (handtekenen, 6de klas, groot prenthoofd, loffelijk getuigschrift) 
Vermeijs, C.1843: ornament, 4de klas, 1ste afd., brons; bouwkunde, 4de klas, getuigschrift 1844: ornament, 3de klas, getuigschrift; bouwkunde, 3de klas, 1ste afd., getuigschrift 1845: bouwkunde, 3de klas, groot brons 1846: bouwkunde, getuigschrift, met bevordering 1847: bouwkunde, 1ste klas, groot zilver 1848: bouwkunde, 1ste klas, 1ste afd., loffelijke verm. 
Verouden, Jacobus Franciscus (R’dam 1819-1890 R’dam)1838 (doorzichtkunde, 3de klas, getuigschrift) 1840 (bouwkunde, 2de klas, klein zilver; doorzichtkunde, 2de klas, klein zilver) 1841 (bouwkunde, 1ste klas, 2de afd., groot zilver) 1842 (bouwkunde, 1ste klas, 1ste afd., loffelijke vermelding; doorzichtkunde, 1ste klas, getuigschrift) 1843 (bouwkunde, 1ste klas, 1ste afd., loffelijke vermelding; doorzichtkunde, 1ste klas, groot zilver) 1844 (bouwkunde, 1ste klas, 1ste afd., dubbel gr. Zilver) 
Versnel, Angelus (Engel) (R’dam 1767-1852 R’dam)1792 (buitengewone ereprijs)Beeldhouwer / Scheen / Immerzeel / RC 20-03-1828 / RC 01-05-1830 / Eliëns (1990) p. 203
Versnel, Joannes Sebastianus (R’dam 1798-1843 Rotterdam)1815 (handtekenen, pleisterromp) 1821 (bouwkunde, 1ste klas, groot zilver)Scheen /zoon van Angelus Versnel /broer van Jacobus Seb. Versnel
Versnel, J.P.1835 (bouwkunde, 1ste klas, groot zilver)RC 02-05-1838
Versnel, Jacobus Sebastianus (R’dam 1811-1871 Rotterdam)1832 (bouwkunde, 2de klas, loffelijk getuigschrift met bevordering; doorzichtkunde, 2de klas, loffelijk getuigschrift met bevordering) 1834 (bouwkunde, 1ste klas, loffelijke vermelding; doorzichtkunde, 1ste klas, loffelijke vermelding) 1835 (doorzichtkunde, 1ste klas, loffelijke vermelding; bouwkunde, 1ste klas, groot zilver) 1837 (doorzichtkunde, 1ste klas, loffelijke verm. ) 1839 (boetseren, klein zilver) 1840 (handtekenen, pleisterbeeld, getuigschrift; (boetseren, 1ste klas, getuigschrift) 1842 (handtekenen, naakt model, dubbel gr. zilver)Zoon van Angelus Versnel, broer van Joannes Seb. Versnel / steenhouwer / beeldhouwer / NRC 03-05-1851 / RC 22-08-1861 / Eliëns (1990) p. 203
Verwey, Johannes Lodewijk (R’dam 1783-1864 Rotterdam)1800 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Apolino, aanmoediging; bouw- en doorzichtkunde, boek ) 1802 (handtekenen, 1ste klas, naakt model, goud) 
Veth Jz., B.1824 (bouwkunde, 1ste klas, middelste zilveren medaille; doorzichtkunde, 3de klas, getuigschrift) 1825 (doorzichtkunde, 2de klas, klein zilver) 
Vilvoije, H.1849 (handtekenen, ornament, 3de klas, accessit) 
Vis, J. van der1830 (bouwkunde, 2de klas, klein zilver) 
Visser, J. (de)1840 (doorzichtkunde, 3de klas, getuigschrift) 1842 (bouwkunde, 4de klas, loffelijke vermelding; doorzichtkunde, 2de klas, klein zilver) 
Vlierboom, J.1838 (handtekenen, prentbeeld, klein zilver; ontleedkunde, 3de klas, loffelijk getuigschrift) 
Vlijmen, G.K. van1849 (anatomie, 3de klas, loffelijke vermelding) 
Vollenhoven, C.W. van1821 (wiskunde, 2de klas, loffelijk getuigschrift) 1822 (wiskunde, 1ste klas, getuigschrift, lot tegen D.J.F. Bogaers) 
Voorts Hesseling, H.P. van1800 (bouw- en doorzichtkunde; boek) 
Vormer, J.J.1849 (ornament, 4de klas, klein brons) 
Vorstman, J.G.1847 (wiskunde, 2de klas, groot brons) 
Vredenburg, W.1831 (bouwkunde, 4de klas, eervolle vermelding met bevordering) 
Vreeswijk, Adrianus Aegidius Samuel van (R’dam 1822-1890 Rotterdam)1841 (boetseren, groot brons)Eliëns (1990) p. 205
Vries, Dirk Hendrik de (Rotterdam 1776)1799 (2de klas, pleisterromp Amour antique, aanmoediging) 1800 (1ste klas, naakt model, goud) 
Wageninge, Pieter Johannes van (Rotterdam 1829- ?1872)1844 (handtekenen, klein prenthoofd, getuigschrift en exemplaar van klein prenthoofd)Overleden op Nederlands fregatschip Maibit
Wassenberg, A.1806 (handtekenen, 6de klas, prenthoofd, loffelijk getuigschrift) 
Weitze, Johan Lodewijk Fredrik (Rotterdam 1824-)1844 (bouwkunde, 3de klas, 2de afd., loffelijke vermelding) 
Welle, David (Rotterdam 1772-1848 Rotterdam)1792 (1ste klas, 1ste ereprijs) 1797 (1ste klas, levend naakt, goud)Scheen / zn. van B. Welle / huisschilder / lithograaf /RC 07-05-1818 /RC 12-09-1820 / RC 09-09-1826 / RC 12-09-1829 / RC 14-09-1830 / RC 25-09-1834 / RC 18-09-1845
Wels, Cornelis Pieter (Rotterdam 1826-)1844 (boetseren, 3de klas, getuigschrift; ornament, 4de klas, 1ste afd., getuigschrift) 1845 (handtekenen, ornament, 3de klas, getuigschr.) 1847 (boetseren, 3de klas, klein brons; ornament, 2de klas, klein zilver) 1848 (boetseren, 1ste klas, loffelijke melding) 
Welsenius, A.1849 (handtekenen, klein prenthoofd, accessit) 
Wenteler, Andries (Rotterdam 1824-)1840 (bouwkunde, 3de klas, groot brons) 1841 (bouwkunde, 2de klas, loffelijke vermelding; doorzichtkunde, 3de klas, loffelijk getuigschrift met bevordering) 1843 (ornament, 3de klas, klein zilver) 
Wiel, Pieter Nicolaas van de (R’dam ca 1826-1874 R’dam)1840 (ornament, 3de klas, getuigschrift) 1844 (ornament, 2de klas, getuigschrift) 
Wiel, Evert van der (Rotterdam 1805-)1822 (doorzichtkunde, 3de klas, getuigschrift)Broer van J.R. van der Wiel
Wiel, J. van der1832 (wiskunde, 2de klas, loffelijk getuigschrift) 
Wiel Jz., Jan Rutger van der (Rotterdam 1818-)1836 (bouwkunde, 3de klas, brons) 1837 (handtekenen, ornament, brons) 1838 (2de klas, ornament, klein zilver; doorzichtkunde, 2de klas, klein zilver) 1839 (ornament, 1ste klas, groot zilver)Broer van E. van der Wiel
Wiele, J. v.d.1819 (bouwkunde, 1ste klas, zilver) 
Wijk, Adrianus Paulus van (R’dam 1789-1816 R’dam)1806 (handtekenen, 7de klas, klein prenthoofd, loffelijk getuigschrift) 1808 (doorzichtkunde, werktuigkundig instrument) 1810 (handtekenen, 3de klas, pleisterromp Amor, lot tegen W.J. van Oosterzee; doorzichtkunde, 1ste klas, prijs) 1814 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld) 
Wijmans Ligtenberg, H.1828 (doorzichtkunde, 3de klas, brons) 
Wijngaardt, J. van1833 (doorzichtkunde, 3de klas, loffelijke verm.) 
Wijthoff, M.1842 (handtekenen, klein prenthoofd, 2de afd., getuigschrift) 
Wilde, A. van der1846 (bouwkunde, 2de klas, zilver) 1847 (doorzichtkunde, 3de klas, groot brons) 1848 (bouwkunde, 1ste klas, 2de afd., groot zilver; doorzichtkunde, 1ste klas, groot zilver) 1849 (bouwkunde, 1ste klas, 1ste afd., groot dubbel zilver; doorzichtkunde, buitengewone klas, groot dubbel zilver) 
Wilde, J.F. van der1838 (bouwkunde, 1ste klas, groot zilver) 1840 (doorzichtkunde, 1ste klas, groot zilver) 1841 (doorzichtkunde, 1ste klas, 1ste afd., dubbel gr. zilver) 
Wingerde(n), Hendrikus van1808: handtekenen, 5de klas, prentbeeld, kl. zilver 1810: handtekenen, 4de klas, pleisterhoofd, zilver 1811: handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld, gr. zilverScheen
Wit van der Hoop, Adriaan L. de (R’dam 1807-1871 Rotterdam)1822 (handtekenen, 6de klas, groot prenthoofd, getuigschrift) 
Wit(t)kamp, Johan Bernard (Riesenbeck 1820-1885 A’werpen)1838 (handtekenen, pleisterromp, 1ste klas, groot zilver; ontleedkunde voor de schilder, klein zilver) 1839 (pleisterbeeld, groot zilver; ontleedkunde voor de schilder, 1ste klas, groot zilver; doorzichtkunde, 2de klas, getuigschrift) 1840 (handtekenen, naakt model, getuigschrift; doorzichtkunde, 1ste klas, loffelijk getuigschrift)Scheen / V. Giersbergen, Schmidt (2009)
Woel, Pieter van der ‘ (Rotterdam 1790-)1806 (handtekenen, 2de klas, pleisterbeeld Antinous, accessit; doorzichtkunde, 2de prijs, met het lot tegen Wm. Roosing jr.) 1807 (handtekenen, 1ste klas, naakt model, goud; bouw- en doorzichtkunde, 1ste klas, werktuigkundig instrument) 
Wolff, J.J.1839 (handtekenen, pleisterhoofd, getuigschrift; boetseren, klein zilver) 1840 (boetseren, 1ste klas, zilver) 1841 (boetseren, loffelijk getuigschrift)Eliëns (1990) p. 107
Wolff, W.1839 (ornament, 3de klas, loffelijk getuigschrift) 
Woudenberg, A.1839 (doorzichtkunde, 1ste klas, groot zilver) 1841 (ornament, 2de klas, klein zilver) 
Woudenberg, J.M.1841(bouwkunde, 4de klas, loffelijke vermelding) 
Ysselstein, Barend Paulus van (Rotterdam 1823-)1839 (handtekenen, groot prenthoofd, brons) 1840 (ontleedkunde, 3de klas, getuigschrift) 1841 (handtekenen, prentbeeld, loffelijke verm.) 
Zaanen, J.J. van1847 (bouwkunde, 4de klas, 2de afd., klein brons) 1848 (ornament, 4de klas, 1ste afd., klein brons) 
Zom, A.1845 (ornament, 4de klas, klein brons) 
Zom, G.1846 (ornament, 3de klas, getuigschrift, met bevordering naar hogere klas) 
Zwijndregt, J. van1806 (handtekenen, 5de klas, prentbeeld, klein zilver) 
Bron: Rotterdamsche Courant (RC) 1786-1847 en Nieuwe Rotterdamsche Courant (NRC) 1848-1849.

Wilma van Giersbergen 2017, bijgewerkt 2021

De namen van de prijswinnaars werden nagenoeg elk jaar gepubliceerd in de Rotterdamsche Courant (RC) en vanaf 1848 in de Nieuwe Rotterdamsche Courant (NRC). Slechts de volgende jaargangen konden worden geraadpleegd: 14-11-1783, 6-4-1786, 1-4-1788, 7-4-1791, 7-4-1793, 9-4-1795, 5-4-1796, 17-4-1798, 11-4-1799, 10-4-1800, 23-4-1801, 17-4-1802, 7-4-1803, 2-10-1804, 4-5-1805, 22-4-1806, 16-4-1807, 12-4-1808, 27-4-1809, 19-4-1810, 30-4-1811, 28-4-1814, 4-5-1815, 2-5-1816, 1-5-1817, 30-4-1818, 1-5-1819, 27-4-1820, 19-4-1821, 30-4-1822, 11-9-1823, 13-5-1824, 23-4-1825, 18-4-1826, 12-4-1827, 24-4-1828, 9-5-1829, 6-4-1830, 19-4-1831, 19-4-1832, 25-4-1833, 24-4-1834, 30-4-1835, 28-4-1836, 20-4-1837, 6-10-1838, 5-10-1839, 27-10-1840, 28-9-1841, 20-9-1842, 26-9-1843, 1-10-1844, 30-9-1845, 22-9-1846, 28-9-1847 en NRC 6-7-1848, NRC 3-10-1849.

De kunsthandel in Rotterdam: 1800-1880

Wilma van Giersbergen – De kunsthandel in Rotterdam: 1800-1880

Voor wat betreft de locaties waar en de periodes waarin de kunsthandelaren actief waren, werden in onderstaand artikel de adresboeken van Rotterdam gebruikt. Deze zijn niet apart vermeld in het notenapparaat.

In tegenstelling tot Amsterdam en Den Haag kende Rotterdam in de negentiende eeuw maar weinig kunstkopers, kunsthandelaren en kunstverzamelaars van betekenis. Een (inter)nationaal georiënteerde kunstwereld ontbrak. De stad had slechts één tekengenootschap en zou pas in 1832 de eerste Tentoonstelling van Levende Meesters – tweejaarlijkse verkooptentoonstellingen – krijgen.

Ook kreeg ze pas in 1849, met de opening van Museum Boijmans, een openbare collectie. Bovendien was de groep kooplieden minder omvangrijk en minder vermogend dan die van Amsterdam waardoor de stad minder aantrekkelijk was voor kunstverzamelaars en -verkopers.

Al voor 1820 leed Rotterdam een gevoelig verlies door het overlijden van zes van de tien Rotterdamse verzamelaars van naam. Dat hun collecties niet behouden bleven voor de stad, maar geveild werden, was extra pijnlijk. Daarmee verdwenen niet alleen prachtige verzamelingen met werken van oude meesters uit Rotterdam, maar ook de tekeningencollecties van de eigentijdse kunstenaars Gerrit Groenewegen, Johannes Bemme en Dirk en Jan Anthonie Langendijk afkomstig uit de kunstcollectie van de kunstenaar Gijsbertus Johannes van den Berg. Alles raakte verspreid tot in Amerika toe, maar het grootste en zeker het belangrijkste deel kwam in Amsterdam terecht. Vilein wist de Rotterdamse archivaris Eppe Wiersum dan ook op te merken dat ‘de bewoners der hoofdstad […] bij het beschouwen hunner kunstschatten weleens [mogen] bedenken, dat een waarlijk niet gering gedeelte daarvan door Rotterdammers te Rotterdam is bijeengebracht.’[1]

Kunstverkopers: 1800-1860

Omstreeks 1815 vestigde de Dordtse kunstenaar Arnoldus Lamme (1771-1856) zich in de stad die zich ging specialiseren in het veilen van kunstcollecties. Daarmee was hij in Rotterdam de eerste die zich op een meer professionele wijze met deze branche inliet. Normaliter werden kunstcollecties geveild door de stadsvendumeester Van Ryp & zonen, weliswaar onder toezicht van de kunstenaars Nicolaas en Robbert Muys, Gerard van Nijmegen, Willem van Leen en Willem Adrianus Netscher, maar van echt vakmanschap kon men niet spreken.[2] Belangwekkende collecties die Lamme onder de hamer bracht, waren die van de Rotterdamse kunstverzamelaars Eliza van Ryp (1820), Gerrit van der Pals (1824), Abraham Gevers Arnoutsz. (1827) en Franciscus Marinus Netscher (1829).[3]

Was Lamme de eerste gespecialiseerde veilingmeester in kunst, voor zover bekend was Wilhelm Herman Dicke (ca. 1783-1842) de eerste kunsthandelaar. Hij staat te boek als schrijnwerker en koopman in schilderijen. Zijn handel zat al voor 1817 in de stad, eerst aan de Weezenstraat – waar ook Cornelis Bakker met zijn gezin woonde – vanaf de jaren twintig tot aan 1835 aan de Hoogstraat, en daarna tot aan zijn overlijden aan de Lombardstraat. Omstreeks 1835 kreeg Dicke concurrentie van Hendrik Vincent van Gogh en Gerrit Jonkers. Op dat moment vestigde Hendrik Vincent van Gogh (1814-1877) zich vanuit Breda in de stad. Hij was een broer van Vincent van Gogh (in de familie ‘Oom Cent’ genoemd), die in Den Haag in een verfwarenwinkel werkte en vanaf 1840 een eigen zaak in schilderartikelen zou hebben, waar hij ook Nederlandse en Franse kunst zou verkopen. Beiden waren ooms van de latere schilder Vincent van Gogh. Hendrik Vincent (in de familie ‘Oom Hein’ genoemd) begon aan het Steiger een boek- annex kunsthandel. Daarnaast verkocht hij, net als zijn broer in Den Haag, ‘schilder- en teekenbehoeften’.[4] Wat die kunsthandel inhield, is niet bekend; wel dat het geen vetpot was, want vanaf 1841 staat Van Gogh alleen vermeld als boekhandelaar.[5] In 1855 werd Christiaan Sander Johan (Johan) Vlaanderen Oldenzeel (1833-1896) medefirmant Van Gogh en in 1858 nam hij de zaak op eigen risico over,[6] nadat ‘oom Hein’ naar Den Haag was vertrokken.  Oldenzeel zou na 1880 uitgroeien tot de befaamdste kunsthandel van Rotterdam.

De Rotterdammer Gerrit Jonkers (1782-1859), die vanaf 1838 als ‘kunstkooper’ geregistreerd staat, moet echter al eerder met zijn handel begonnen zijn. Tussen 1831 en 1835 had hij vijf werken van Jan van de Laar had aangeschaft.[7] Het ligt voor de hand dat hij toen ook werk van andere kunstenaars aankocht, maar daarover is verder niets bekend. In elk geval pakte hij het heel anders aan dan Dicke en Van Gogh. Hij richtte zich vanaf het begin alleen op de kunsthandel. Daarvoor kocht hij speciaal voor dat doel in 1841 aan de hoek Houttuin-Hoenderbrug het grote huis dat vanouds bekend stond als ‘Het Vergulde Spinnewiel’. Jonkers hield er doorlopende tentoonstellingen van schilderijen, tekeningen en andere ‘soortgelijke kunstvoortbrengselen’ – penningkabinetten, afgietsels, voorwerpen van zilver, marmer en ivoor – niet om ze, zoals in een kunsthandel, voor een vastgestelde prijs te verkopen, maar om ze na afloop bij opbod te veilen.[8] Jonkers verenigde dus het beroep van kunsthandelaar en veilingmeester. Doorlopende tentoonstellingen waren destijds een nieuw fenomeen. Het waren semipermanente exposities met telkens een wisselend aanbod. Daarmee wilde een kunsthandelaar anticiperen op de toenemende publieke belangstelling voor kunst.[9] Eveneens nieuw was een speciale tentoonstellingszaal, aangezien handelaren voor 1850 daarover nauwelijks beschikten. Misschien dat Jonkers het idee had afgekeken van Johannes Immerzeel die in 1827 bij zijn boekhandel in Den Haag een aparte tentoonstellingsruimte had ingericht. In elk geval kwamen in Nederland presentaties van eigentijdse kunst in kunstzalen pas in het laatste kwart van de negentiende eeuw in de belangstelling.[10]

Jonkers hield in rap tempo zijn exposities en zijn verkopingen. Kennelijk was er zoveel aanbod én belangstelling dat ze om de paar maanden konden plaatsvinden. Jonkers verkocht eigentijds werk van de Rotterdamse kunstenaars Aren Bakker, Jan van de Laar, Willem Schmidt en Cornelis Gerrit Verburgh, daarnaast werk van landelijk bekende kunstenaars, zoals Abraham van Strij, Cornelis Lieste, Martinus Schouman, Petrus van Schendel en Jan Kobell naast werk van kunstenaars uit België, Frankrijk en Engeland. Daarnaast verhandelde hij tekeningen en prenten van oude meesters.[11] Na verloop van tijd bleek zijn kunsthandel zelfs in het buitenland bekend te zijn.[12] Hoewel zijn kunsthandel veelbelovend leek te zijn, was Jonkers gedwongen al in 1843 ‘Het Vergulde Spinnewiel’ te verkopen. Daarop verlegde hij zijn werkterrein naar het oosten van het land waar hij als ‘kunsthandelaar van Rotterdam’ in logementen kunst aan de man probeerde te brengen.[13] Aangezien de kunsthandel overwegend in Noord- en Zuid-Holland was gevestigd, maar er in andere provincies ook vraag naar kunst was, zagen sommige kunsthandelaren daar een gat in de markt door er verkoopexposities te organiseren.[14] Desondanks bleef Jonkers als kunsthandelaar in Rotterdam wonen waar hij omstreeks 1850 aan de Oppert gevestigd was. Met zijn overlijden in 1859 kwam er een einde aan zijn kunsthandel.

Inmiddels had ook de kunstschilder Ary Johannes Lamme (1812-1900), de zoon van Arnoldus Lamme, in 1841 aan de Korte Hoogstraat een kunstzaak geopend. Hoewel hij in 1856 directeur werd van Museum Boijmans, bleef hij vermeld staan als kunstkoper, nu aan de Wijnstraat. Daarnaast was hij, net als zijn vader, veilingmeester, en bracht hij ‘in diens uitmuntend tot dat doel ingerigt huis’ verzamelingen schilderijen van oude en moderne meesters onder de hamer.[15] Ook veilde hij (kunst)boeken, prentwerken, tekeningen en gravures.[16] Net als Jonkers combineerde hij de handel in kunst dus met het veilingwezen. Ook werd Lamme door derden ingehuurd om veilingen te houden, zoals door het Notarishuis aan de Geldersekade en door Huis Ter Wadding in Voorschoten waar hij in 1845 een grote collectie schilderijen, tekeningen en andere kunstvoorwerpen van eigenaar liet wisselen.[17] Daarnaast trad Lamme ook op als bemiddelaar. Zo kon men in zijn woonhuis in 1855 het kapitale schilderij Een tafereel uit de kindermoord te Betlehem van de Belgische kunstenaar Nicaise De Keijzer bekijken, met als duidelijk doel de verkoop van het werk.[18]

Naast Jonkers en vader en zoon Lamme woonden er nog enkele kleinere kunsthandelaren in de stad, van wie niet duidelijk is wat ze feitelijk verhandelden. Men krijgt de indruk dat ze er óf niet van konden leven óf er niet van hoefden te leven. Johannes Hendrikus Adrianus Jonkers (1826-1870) die, voor zover is na te gaan, geen familie was van Gerrit Jonkers, was van 1851 tot circa 1855 kunsthandelaar aan de Oppert. Vermoedelijk noodgedwongen zette hij zijn zaak daarna voort in Amsterdam.[19] Tekenmeester en portretschilder Willem Joan van Oosterzee (ca. 1791-1847) had in 1834 een prentenwinkel en van 1838 tot aan zijn overlijden ook een kunstzaak aan de Hoogstraat, waar hij tevens tekenbenodigdheden verkocht. Ook zijn zoon Willem Johan Hendrik van Oosterzee (ca. 1816-1861) was, evenals zijn vader, tekenmeester en kunsthandelaar, en was met zijn handel vanaf 1851 aan de Noordblaak gevestigd. Ook hij verkocht tekenbenodigdheden. Na zijn overlijden zette zijn weduwe als ‘kunsthandelares’ kortstondig de zaak voort aan de Korte Hoofdsteeg.  De uit Düsseldorf afkomstige Joann Peter Joseph Claus (ca. 1778-?) was koopman en beoefende de kunsthandel vermoedelijk uit liefhebberij. Van omstreeks 1854 tot circa 1860 was hij kunsthandelaar aan de Hoogstraat. Ook voor Christiaan Godfried Schutze van Houten (1807-1869), agent van de Nederlandsche Handelmaatschappij te Rotterdam, zal de kunsthandel geen noodzaak zijn geweest. Schutze van Houten was zeer geïnteresseerd in kunst. Hij was bestuurslid van de Rotterdamse Academie en bovendien zelf een bekwaam tekenaar en graveur. In 1851 handelde hij in schilderijen en kunstwerken en nog in 1859 beoefende hij het beroep van kunsthandelaar aan de chique Boompjes.

Kunstverkopers: 1860-1880

Ook na 1860 deden er zich geen grote veranderingen voor in de Rotterdamse kunsthandel. Schilder en kunstkoper Dirk Dirksen jr. (1821-1906) had in 1854 een kunsthandel aan de Schiedamsedijk. In 1858 staat hij alleen als kunstschilder geregistreerd, maar van 1859 tot 1864 beoefende hij opnieuw het beroep van kunstkoper. Daarna verhuisde hij naar Den Haag waar hij van 1864 tot 1885 op het Spui kunsthandelaar was in vermoedelijk oude kunst.[20] Jacobus Theodorus de Brouwer (1832-1888) werkte 1862 tot 1873 aan de Hoofdsteeg afwisselend als boek- en kunsthandelaar en als papier- en kunsthandelaar. Vanaf 1873 tot 1880 staat hij alleen als kunsthandelaar te boek. Ook hij verhuisde naar Den Haag waar hij een kunstzaak overnam.[21] Meinardus Johannes Parson (1842-?) was omstreeks 1870 kunsthandelaar aan de Korte Hoogstraat, maar had zijn zaak rond 1873 omgewisseld voor de in zwang geraakte fotografiehandel. Ook Parson verhuisde naar Den Haag waar hij ‘in photographieën’ deed, maar ook als kunsthandelaar te boek staat.[22]

De meest succesvolle kunsthandelaar in die periode lijkt Johannes van Mastenbroek (1827-1909) te zijn geweest. Hij had aan de Schiedamsedijk een zaak in verfbenodigdheden, maar hij bouwde ook een schilderijenvoorraad op. Zijn interesse ging in het begin uit naar de Franse kunstenaars uit de school van Barbizon. In zijn collectie bevonden zich werken van Corot, Daubigny en Dupré. Opmerkelijk is dat hij zich specialiseerde in eigentijdse kunst, op een moment dat die in Nederland zeker nog tot 1860 in de kinderschoenen stond. Toen zijn kunstzaak goed begon te lopen, deed hij de verfwinkel aan de kant. [23] Vanaf 1878 staat hij dan nog alleen vermeld als kunsthandelaar, vóór die tijd als kunstschilder.

Het was gebruikelijk dat kleine handelaren allerlei activiteiten combineerden die raakvlakken hadden met elkaar.[24] Lamme, W.J. van Oosterzee en Dirksen hadden een achtergrond als kunstschilder, vader en zoon Van Oosterzee waren beiden tekenleraar. Ook de combinaties prent-, papier- en boekhandelaar en verkoper van teken- en verfmaterialen komen veelvuldig voor, zoals bij vader en zoon Van Oosterzee, Van Mastenbroek, Van Gogh en De Brouwer. Dicke was schrijnwerker en dat zal hem van pas gekomen zijn bij het maken van schilderijlijsten, Parson stortte zich op het nieuwe beroep van fotograaf. Opvallend is tevens dat verschillende kunsthandelaren tussen 1860 en 1880 uit de stad naar Den Haag vertrokken waar kennelijk betere vooruitzichten waren.

Over de wijze waarop en wat de kunstverkopers aanschaften, is nauwelijks iets bekend, evenals over hun kopers. Het ligt voor de hand dat ze via andere kunsthandelaren werk aankochten, maar ook dat ze werk van plaatselijke kunstenaars afnamen of in consignatie kregen. Indien ze zelf het beroep van kunstschilder beoefenden, zullen ze in hun zaak ook hun eigen werk hebben verkocht. Noodgedwongen richtten veel kunsthandelaren in Nederland zich op de binnenlandse markt.[25] In Rotterdam lijkt de blik nog regionaler te zijn geweest. De enige die daarop een uitzondering vormde, is de al genoemde Johannes van Mastenbroek. Hij trad waarschijnlijk op als intermediair tussen kunsthandel Goupil en de Rotterdamse verzamelaars. Goupil & Cie. was op dat moment een van de bekendste en invloedrijkste kunst- en prentenhandels in Europa. ‘Oom Cent’ van Gogh was in zijn Haagse zaak gaandeweg steeds meer overgegaan naar de verkoop van eigentijdse Hollandse en Franse schilderkunst. Al vanaf 1845 deed hij zaken met Adolphe Goupil, waardoor Franse kunst in Nederland bekend werd. De relatie had geresulteerd in een filiaal dat in 1861 in Den Haag gevestigd was en bestierd werd door ‘oom Cent’. De boekhandelaar ‘oom Hein’ was in 1858 verhuisd naar Den Haag, kennelijk met de bedoeling samen met zijn broer de nieuwe zaak op te zetten. ‘Oom Cent’ werd medevennoot van Goupil en daarmee een belangrijke kunsthandelaar. Tot 1873 zou hij zich actief bezighouden met de kunsthandel. [26]

Van Mastenbroek werd vanwege zijn specialisatie in eigentijdse meesters een van de belangrijkste klanten van Goupil. Tussen 1869 en 1891 kocht hij minimaal 206 eigentijdse werken met een gezamenlijke waarde van tenminste 250.000 gulden. Zijn belangstelling ging toen vooral uit naar Nederlandse meesters, zoals Andreas Schelfhout, Cornelis Bisschop, Cornelis Springer, David Bles, Johannes Bosboom, Jan Weissenbruch en Sam Verveer. Hij kocht ook buitenlands werk aan en vanaf 1873 mondjesmaat werk van schilders van de Haagse School. Omgekeerd leverde Van Mastenbroek minimaal dertig werken aan Goupil.[27] Het is niet duidelijk of hij deze aankopen deed vanuit het vermogen van de kunsthandel of dat hij alleen als tussenpersoon optrad waarvoor hij commissie kreeg. Van Mastenbroek betrok overigens niet alleen werken van Goupil uit Den Haag, maar kocht ook aan via andere circuits. Ook importeerde hij werken van de Barbizonschilders vanuit Frankrijk en hij moet daardoor regelmatig werk hebben gehad van Meisonnier, Fromentin en Isabey. Daarnaast onderhield hij contacten met eigentijdse kunstenaars, van wie Johan Barthold Jongkind de belangrijkste was. Diens werk, dat Van Mastenbroek zeer waardeerde, werd zo modern gevonden dat hij slechts met de grootste moeite een schilderij kon verkopen voor 50 gulden. Belangrijk voor Van Mastenbroek waren zijn contacten met vermogende Rotterdamse verzamelaars, zoals Fop Smit, Van Heel, Van Hoboken en Johannes de Kuijper. Als schilder restaureerde hij voor hen ook schilderstukken.[28]

Na 1880 zou de kunsthandel in Rotterdam een ander karakter krijgen, doordat er twee kunstzalen kwamen waar eigentijds werk bekeken en gekocht kon worden. Johannes de Kuijper opende in 1883 op zijn huisadres aan de Geldersekade de Rotterdamsche Kunstclub, waar hij niet alleen een kunstenaarsvereniging vestigde, maar ook verkoopexposities organiseerde, zij het alleen voor leden. Johan Oldenzeel was in 1875 aan de Botersloot een kunsthandel begonnen. Vanaf het begin legde hij zich toe op de verkoop van eigentijdse kunst, maar pas met de verhuizing naar de Leuvehaven in 1888 zou zijn kunsthandel tot bloei komen. Begin jaren negentig zou hij twee spraakmakende tentoonstellingen organiseren met werken van Jan Toorop en van Vincent van Gogh. 


[1] E. Wiersum, ‘De brieven van Pieter Joseph Thijs aan Gerrit van der Pot van Groeneveld 15 november 1795-19 december 1802’, in: Rotterdamsch Jaarboekje (1932) 14.

[2] P.E. van Ryp deed in 1825 zijn vendumeesterschap over aan de heren G.M. van Marle en Abr. van den Abeele. Daarmee was de firma Van Marle & Van den Abeele geboren, die behalve kunst ook inboedels en huizen veilde. Omstreeks 1850 trad De Sille in plaats voor Van den Abeele, zodat de firmanaam vanaf die tijd Van Marle & De Sille luidde.

[3] Zie voor een meer uitgebreide beschrijving: Wilma van Giersbergen, Op zoek naar werk. De productieve kunstenaarsfamilie Hauck-Bakker-Van de Laar in Rotterdam 1770-1920 (Rotterdam 2018) 103-104.

[4] Rotterdamsche Courant, 3-12-1835.

[5] Het is niet bekend wanneer ‘oom Hein’ zich in Rotterdam vestigde. In 1834 wordt H.V. van Gogh nog niet genoemd in het adresboek.

[6] J.F Heijbroek en E.L. Wouthuysen, Kunst, kennis en commercie. De kunsthandelaar J.H. de Bois 1878-1946 (Amsterdam/ Antwerpen 1993) 26.

[7] Star, Archief van de kunstschilderfamilies Hauck-Bakker-Van de Laar, Kasboek Jan Hendrik van de Laar, inv.nr. 5195_24-06.

[8] Groninger Courant, 30-4-1841.

[9] Annemieke Hoogenboom, De stand des kunstenaars. De positie van kunstschilders in Nederland in de eerste helft van de negentiende eeuw (Leiden 1993) 142.

[10] Chris Stolwijk, Uit de schilderswereld. Nederlandse kunstschilders in de tweede helft van de negentiende eeuw (Leiden 1998) 204-205 en noot 61.

[11] Rotterdamsche Courant, 22-1-1842; Algemeen Handelsblad, 4-4-1842, Rotterdamsche Courant, 21-6-1842.

[12] Rotterdamsche Courant, 10-2-1842.

[13] Arnhemsche Courant, 17-10-1843; Overijsselsche Courant, 3-11-1843.

[14] Hoogenboom (1993) 148.

[15] Rotterdamsche Courant, 9-11-1853.

[16] Rotterdamsche Courant, 25-2-1845.

[17] Algemeen Handelsblad, 25-2-1845; Nieuwe Rotterdamsche Courant, 24-8-1850.

[18] Rotterdamsche Courant, 4-12-1855.

[19] Stolwijk (1998) 320.

[20] Stolwijk (1998) 308.

[21] Stolwijk (1998) 305 en 322.

[22] Stolwijk (1998) 325.

[23] Harry Kraaij, Johan Hendrik van Mastenbroek. Impressionist in de nieuwe tijd (Schiedam 2005) 14-15; Stolwijk (1998) 26.

[24] Stolwijk (1998) 196-197.

[25] Stolwijk (1998) 195-196.

[26] Hoogenboom (1993) 203; Stolwijk (1998) 312-313.

[27] Stolwijk (1998) 196 en 347.

[28] Kraaij (2005) 15-16.

Wilma Van Giersbergen 2010, bewerkt in 2021.