Wilma van Giersbergen 2010 ( bewerkt in 2021): Kunstverzamelaars in Rotterdam 1780-1830

Aan het begin van de negentiende eeuw kende Rotterdam zo’n tien kunstverzamelaars van belang. De allerbelangrijkste was Gerrit van der Pot van Groeneveld, gevolgd door Daniël de Jongh Adrz., Gerrit van der Pals, Willem Baartz en Aernout van Beeftingh. Daarnaast waren er nog een paar Rotterdammers met kleinere collecties. Ze verzamelden voornamelijk werk van schilders uit de Gouden Eeuw, naast tekeningen en prenten.[1] Als ze al eigentijdse kunst verzamelden, dan bestond dat vooral uit schilderijen en tekeningen van Rotterdamse kunstenaars. De meest gecollectioneerde werken waren van Dirk Langendijk, Gerrit Groenewegen, Nicolaas Muijs, Jan Kobell ‘van Utrecht’, Hendrik Kobell en Gerard van Nijmegen. Al hun collecties werden gevormd voor 1830.

Nagenoeg alle collecties werden na hun overlijden verkocht, waarvan de helft tussen 1808 en 1815. Dat Rotterdam deze verzamelingen niet voor de stad kon behouden, kwam onder meer doordat de stad geen openbare kunstinstelling had. Die zou er pas in 1849 komen, met de oprichting van Museum Boijmans. Veel werk raakte verspreid tot in Amerika toe, maar het belangrijkste kwam in Amsterdam terecht. De Rotterdamse gemeentearchivaris, Eppe Wiersum, wist dan ook vilein op te merken dat ‘wel het grootste deel en zeker het belangrijkste […] in Amsterdam terechtgekomen [is] en de bewoners der hoofdstad mogen bij het beschouwen hunner kunstschatten wel eens bedenken, dat een waarlijk niet gering gedeelte daarvan door Rotterdammers te Rotterdam is bijeengebracht.’[2]

Het schilderijenkabinet van Gerrit van der Pot van Groeneveld (1732-1807) was de belangrijkste schilderijenverzameling die Rotterdam ooit heeft bezeten.[3] Het was tevens de eerste collectie die in Rotterdam in de negentiende eeuw werd geveild. Het kabinet werd op 6 juni 1808 – feitelijk 7 juni want 6 juni bleek eerste Pinksterdag – in Rotterdam in het openbaar verkocht.[4]

Van der Pot, koopman en suikerraffinadeur van beroep, was in 1778 begonnen met het verzamelen van schilderijen. Hij wist in korte tijd een fraaie collectie aan te leggen die bekend werd in binnen- en buitenland. Geen buitenlander die Rotterdam bezocht en ook maar enige belangstelling voor kunst had, zou verzuimen de collectie te bekijken. En Van der Pot gaf graag toestemming aan iedereen die dat graag wilde. Hij was een vurig patriot en na de Pruisische inval in 1787 vluchtte hij naar Brussel, maar ook tijdens zijn afwezigheid werd zijn collectie nog bezocht door buitenlanders. Toen hij in 1795 weer terugkeerde naar Rotterdam kocht hij een fraai huis aan de Korte Hoogstraat, vestigde er zijn collectie en ontving iedereen die er belang in stelde.[5]

Het grootste en belangrijkste deel werd door Van der Pot gekocht op veilingen, waarvan hij overigens een deel weer verhandelde of ruilde. Een kleiner deel van de collectie kwam hem ‘aanwaaien’. Hij verwierf bijvoorbeeld een aantal schoorsteenstukken van Adam Pijnacker, Abraham Hondius en Egbert Lievensz. van der Poel, doordat ze in het huis aan de Korte Hoogstraat waren blijven hangen; vergeten of niet de moeite waard gevonden ze mee te nemen. Vijf schilderijen erfde hij via zijn eerste vrouw Alida Viruly: Een Mansportret, De Genezing van de schoonmoeder van Petrus, Samson en Delila en een Zelfportret van Joost van Geel, en een Portret van de moeder van Joost van Geel van Gabriël Metsu. Daarnaast erfde hij via zijn grootmoeder drie werken van de Rotterdamse kunstenaar Adriaan van der Werff: Portret van Gerard Visch, Portret van Ulricus Herman de Lange en een Mansportret, naast een geschilderd familiestuk van F. du Chattel met Daniel van Broekhuizen en Katharina Blauw met hun vier kinderen in een bos. Van de zijde van zijn tweede vrouw, Maria Elisabeth Brakel, kreeg hij enkele zeestukken van Abraham Stork en Leendert van Swijndregt toebedeeld, en zijn vader schonk hem een kerkgezicht van Emanuel de Witte en een mansportretje.[6] Van der Pot ontving in 1798 van de erfgenamen van zijn vriend Daniël de Jongh (1721-1796), die als patriot in Laken bij Brussel was overleden, De Mosselsteiger te Amsterdam van Ludolf Backhuysen. Het werk diende als een soort inlossing van schuld, omdat ten tijde dat De Jongh met Van der Pot in Brussel had gewoond hij ‘niets aan alle verteeringen of huishuur betaald had’.[7] In 1804 kreeg Van der Pot nog het schilderij Gezicht op de lustplaats Schoonenberg cadeau van zijn neef Gerard van Nijmegen en een jaar later mocht hij van een nicht nog twee landschapjes van Van Nijmegen ontvangen.[8] De lustplaats Schoonenberg was eigendom van Van der Pot. In 1768 had hij in het ambacht Schoonderloo de boerderij Meywijk gekocht en, met de daarbij gekochte landerijen, er een lustplaats van gemaakt.[9]

Maar het belangrijkste deel van de collectie kwam via aankopen op veilingen of bij particulieren tot stand. Hij gaf onder andere aan de kunstenaar Nicolaas Muys opdracht om aankopen voor hem te doen.[10] Van der Pot verwierf werk van vrijwel alle grote schilders uit de Gouden Eeuw: Gerard Dou, Ludolf Backhuysen, Nicolaas Berchem, Jan Both, Adriaan van de Velde, Jacob van Ruysdael, Philip Wouwerman, Willem van de Velde, Adriaan van der Werff, Jan van Huysum, Albert Cuyp, Jan Steen, Paulus Potter enzovoort.[11] Daarnaast zag Van der Pot gelegenheid om bij de openbare verkoping van aartshertogin Maria Christina in Brussel in maart 1793 stukken te verwerven die normaliter onbereikbaar zouden zijn geweest: vier kapitale jachtstukken van David de Koninck, een gobelin vermoedelijk van Guido Reni en twee marmeren vazen met verguld koperen bloemen. Maar het Hof verzocht hem vriendelijk om het gobelin, dat een geschenk van de paus aan de keizer was geweest, en de beide vazen weer aan de keizer tegen inkoopprijs af te staan, hetgeen Van der Pot bereidwillig deed.[12]

Van der Pot had daarnaast ook oog voor eigentijdse kunst, hoewel dat Rotterdams georiënteerd was. Hij had werk in de collectie van bijvoorbeeld de veeschilder, de ‘Utrechtse’ Jan Kobell (1778-1814) – die geboren was in Rotterdam, maar vanwege zijn woonplaats de ‘Utrechtse’ Kobell werd genoemd om onderscheid te maken met de Rotterdamse Jan Kobell – van Dirk Langendijk (1748-1805), Gerrit Groenewegen (1754-1826), Gerard van Nijmegen (1735-1808) en Nicolaas Muys (1740-1808).[13] Van der Pot had in 1782 aan Langendijk de opdracht gegeven tot het vervaardigen van drie schilderijen.[14] Het schilderij Een gezicht op de Leuvehaven vanaf de Zeevismarkt van Groenewegen (1782; nu Maritiem Museum Rotterdam) had Van der Pot in 1802 op een veiling gekocht, samen met het schilderij Gezicht op de Blaak vanaf de Zeevismarkt van Muys (1772; nu Museum Rotterdam). Het laatste schilderij werd op de veiling van 1808 door de Rotterdamse verzamelaar Thomas Theodore Cremer voor 319 gulden gekocht. Daarnaast had Van der Pot nog vier tekeningen – twee havengezichten en twee marines – van Groenewegen in zijn verzameling.[15]

Het kabinet van Van der Pot toont de achttiende-eeuwse voorkeur van Nederlandse verzamelaars. De nadruk was gaandeweg komen te liggen op Noord-Nederlandse italianiserende landschappen, verfijnd geschilderde genrestukken en fraaie stillevens, voornamelijk uit de tweede helft van de zeventiende en de eerste helft van de achttiende eeuw.[16]

De collectie Van der Pot werd in twee gedeelten geveild: op 28 oktober 1807 de prenten en tekeningen bij C. v.d. Dries & Zoon, en op 6 juni 1808 de schilderijen bij de stadsvendumeesters de gebroeders Van Ryp, allebei te Rotterdam.[17] Nadat bekend was dat de schilderijen onder de hamer zouden komen, kregen eerst de Rotterdamse inwoners en daarna bezoekers van buiten gelegenheid om de verzameling te komen bekijken. Om toegang te krijgen, moest men wel eerst een entreebewijs kopen.[18] De catalogus die in het Nederlands en in het Frans verscheen en 14 stuivers kostte ‘voor den Armen’, was behalve in Rotterdam en andere Hollandse steden ook verkrijgbaar in Parijs, Londen, Brussel, Frankfurt en Hamburg. Muys en Van Nijmegen hadden tevoren de schilderijen getaxeerd op 53.000 gulden. De veiling zou onder toezicht staan van de kunstenaars Gerard van Nijmegen, Nicolaas Muys en Willem van Leen,[19] en Muys en Van Nijmegen hadden tevoren de schilderijen getaxeerd op 53.000 gulden.[20] Van Nijmegen zou de verkoop niet meer meemaken, want hij overleed in mei 1808.

Het hele kabinet bracht 127.036 gulden op – dus ruim het dubbele – waarvan 100.000 gulden voor rekening van koning Lodewijk Napoleon kwamen.[21] In totaal werden 159 schilderijen verkocht, waarvan Lodewijk Napoleon – via stromannen – de belangrijkste 65 schilderijen tegen aanzienlijke prijzen had laten aankopen om ze te plaatsen in de in 1800 gestichte Nationale Konst-Galerij. Ongeveer tegelijk met de veiling, zomer 1808, verhuisde de Konst-Galerij – inmiddels Koninklijk Museum genoemd – van Huis ten Bosch in Den Haag naar het Paleis op de Dam in Amsterdam.[22]

Tot de door Lodewijk Napoleon aangekochte werken uit de collectie Van der Pot – die dus nu in het Rijksmuseum hangen – behoren onder andere De Avondschool van Gerrit Dou, De Leidse bakker Arend Oostwaert van Jan Steen, Een landschap van Paulus Potter, De Heilige familie van Adriaan van der Werff, De ingang van het bos van Philips Koninck, twee schilderijen van Willem van de Velde waaronder De Vierdaagse veldslag, De Berkenlaan van Jan Hackaert, De Reigerjacht van Philips Wouwerman, De Schilderswerkplaats van Adriaan van Ostade en Isaac zegent Jacob van Govert Flinck.[23] Met de aankoop van het kabinet Van der Pot was de collectie Nederlandse schilderijen in het Koninklijk Museum in één keer op hoog niveau gebracht.[24]

Portret van Gerrit van der Pot van Groeneveld door Dordtenaar Johan Bernard Scheffer (de vader van Ary Scheffer). Rechts midden is op de achtergrond De Avondschool van Gerard Dou afgebeeld en rechts op de voorgrond Van der Pots derde vrouw Wilhelmina Maria Catharina Pelerin. Rijksmuseum Amsterdam, vermoedelijk afkomstig uit de collectie Van der Pot van Groeneveld, inv.nr. SK-A-4151.

Het kunstkabinet van Gerard van Nijmegen (1735-1808), dat na zijn overlijden verkocht werd, was het tweede die eeuw dat onder de hamer kwam, en wel in Amsterdam bij kunsthandelaar C.S. Roos op 20 maart 1809. Van Nijmegen had als zoon van Dionijs van Nijmegen, schilder van zaal-en zolderstukken, les gehad van zijn vader en hem terzijde gestaan. Maar gaandeweg raakte deze interieurversiering, met name de zolderstukken, uit de mode en Van Nijmegen koos ervoor om als kunstschilder verder te gaan. Hij schilderde vooral bos- en bergachtige streken. Daarnaast vervaardigde hij ook portretten en hij etste eveneens naar eigen tekeningen en naar die van andere kunstenaars. Van Nijmegen was lange tijd tekenleraar bij het Teekengenootschap, en daarmee collega van August Christian Hauck en Cornelis Bakker. Zijn uitgebreide kunstverzameling omvatte tekeningen van vermaarde Hollandse en andere meesters. Onder de hamer kwam een ‘fraaye Verzameling van gecouleurde en ongecouleurde Teekeningen, door Nederlandsche en andere meesters’, naast een kunstkast en een grote collectie prenten van de hand van de belangrijkste graveerders, onder wie Nicolaas Berchem.[25]

Door de economisch steeds slechter wordende omstandigheden na de inlijving bij Frankrijk in 1810 bracht het kabinet slechts 28.750 gulden op. Dat niet alles van de hand ging, lag niet aan gebrek aan belangstelling, maar aan de economisch beroerde omstandigheden.[29] Veel ging voor spotprijzen van de hand en daar zou bijvoorbeeld verzamelaar Dirk Vis Blokhuijzen van profiteren (zie II Kunstverzamelaars 1800-1875). De erfgenamen toonden hun dankbaarheid dat de veiling in het Genootschapsgebouw had kunnen plaatsvinden door het Teekengenootschap de pleistergroep van Laocoön met zijn zonen te schenken, een afgietsel rechtstreeks van het antieke beeld. Daardoor kon het oude beeld, dat naar een kopie was gegoten en bovendien zonder zonen moest stellen, worden opgeruimd.[30]

De koopman Hendrik Verdonk (1743-1810), wiens boedel in 1811 werd geveild, had hoofdzakelijk oude meesters verzameld.[31] Toch bevonden zich in zijn collectie ook contemporaine werken, waaronder zeven academietekeningen van Job August Bakker (1796-1876). Dat waren drie tekeningen van vrouwelijke modellen en nog vier niet nader geduide ‘academiebeeldjes’, dus eveneens figuurstudies.[32] De in 1796 geboren Job August moet deze op ongeveer 13-jarige leeftijd bij het Teekengenootschap hebben vervaardigd. Ze moeten van zodanige kwaliteit zijn geweest, dat Verdonk ze in zijn kunstverzameling opnam.

‘Beroemd was het Schilderijen-Kabinet’ van de koopman en kapitein van de Rotterdamse schutterij Thomas Theodore Cremer (1743-1815) dat omschreven werd als ‘een uitmuntend Kabinet SCHILDERYEN’. Zijn collectie, die op 16 april 1816 werd verkocht onder toezicht van Willem van Leen en Willem Adriaan Netscher, bestond uit 137 stukken, waaronder Een kabbelend water van Ludolf Backhuysen, Een dame die bij haar ledikant zit te slapen van Gerard Metzu, Een apothekerswinkel van Willem van Mieris, Een jonge dame in haar slaapkamer van Eglon van der Neer – nu: Interieur met handenwassende vrouw (1675; Mauritshuis Den Haag) – Een melkster bij haar vee van Paulus Potter, De inscheping van Willem III voor Hellevoetsluis van Willem van de Velde en een genrestukje met een op tafel liggend hondje naast een rood aarden doofpot, een takkenbos en enkele vissen van Gerard Dou – nu: Slapende hond (1650; Museum of Fine Arts Boston) –, Zelfportret van de schilderes Maria Schalcken in haar atelier (ca. 1680; Museum of Fine Arts Boston) en Landschap van Meindert Hobbema. Een bergachtig landschap van Adriaan van de Velde werd op de veiling verkocht voor ruim 2000 gulden. Ook bevond zich in zijn collectie werk van Gerrit Groenewegen, Nicolaas Muys, Dionijs van Nijmegen en zijn zoon Gerard van Nijmegen. Het belang van de collectie werd aangetoond doordat de catalogus niet alleen in het Nederlands en het Frans verscheen, maar ook in het Engels.[33]

Op 22 april 1818 werd de collectie van Gijsbertus Johannes van den Berg (1769-1817) geveild. Hij was, net als Gerard van Nijmegen, behalve kunstschilder – vooral miniatuurportrettist – ook kunstverzamelaar. Hij was tevens tekenleraar bij het Teekengenootschap en daarmee collega van Cornelis Bakker. Zijn verzameling bestond uit schilderijen, tekeningen en prenten, en omvatte uiteraard een ‘uitmuntende’ miniaturencollectie. Ook hij had eigentijdse tekeningen verzameld van Gerrit Groenewegen, Johannes Bemme, Dirk Langendijk en diens zoon Jan Anthonie Langendijk. De collectie werd geveild onder directie van de kunstenaars Willem van Leen en Ary Lamme.[34] Zijn zoon, Jacobus Everhardus Josephus (1802-1861) zou ook kunstenaar worden, maar was vermoedelijk op dat moment nog te jong om zich over de verzameling te ontfermen.

Willem Baartz (1766-1825) was makelaar en tevens bestuurslid van het Teekengenootschap. Hij was in 1781 op voordracht van tekenleraar August Christian Hauck lid geworden van het Genootschap.[35] Hij bezat enkele schilderijen van Johannes Christiaan Schotel (Een Gezicht op de Zeeuwse stromen, Een Zeehaven en Gezicht op Vlissingen), Een Hollands landschap van Jacob van Strij ‘dat uitmunt door warmte en fijnheid van toon en natuurwaarheid’, en Een Stadsgezicht van Jan Hendrik Verheyen. Maar zijn collectie bestond hoofdzakelijk uit tekeningen van belangrijke oude meesters: Ludolf Backhuysen, Nicolaas Berchem (Het wed; ‘uitmuntend fraai’), Jan Luijken, Adriaan van Ostade (Interieur en Twee mannen met een varken), Jacob de Wit, Adriaan Bloemaert, Cornelis Dusart (Een dorpsfeest; ‘zeldzaam fraai’), Rembrandt (Studiën met de pen, ‘diens Westerkerkstoren is een juweeltje’, en Christus predikende op het kleine graf), Willem van de Velde, Anthonie Waterloo (drie stuks), Philip Wouwerman (Een winter) en vele andere.[36] Daarnaast had ook hij eigentijdse tekeningen van Jan Kobell en Gerrit Groenewegen, en van Dirk Langendijk Een terugtrekkend leger, Een uitval bij nacht, Een gekwetst bevelhebber, en twee aquarellen van de Rumfordse soepkokerij aan het Grotekerkplein (de twee aquarellen, nu: Stadsarchief Rotterdam).[37]

De collectie werd door zijn zoon Willem Baartz (1798-1860) voortgezet en uitgebreid met contemporain werk van onder anderen Andreas Schelfhout, Ferdinand de Braekeleer, Johannes Bosboom, Barend Cornelis Koekkoek en Wijnand Nuyen.[38] Hoewel Baartz kinderen had die zich interesseerden voor kunst – een dochter trouwde in 1866 met een zoon van Ary Lamme – werd kort na diens overlijden de collectie op 6 juni 1860 door de kunsthandelaar Ary Lamme verkocht. Het schilderij dat het meeste opbracht, 1325 gulden, was Gezicht op Vlissingen van Schotel dat als topstuk werd beschouwd. Het stuk van Van Strij deed 725 gulden en dat van Verheyen 375 gulden. Rembrandts tekening van Christus predikende, voorstudie voor de ets, bracht 535 gulden op en diens Westerkerkstoren 100 gulden, de Wouwerman 300 gulden, Dusart 310 gulden, Van Ostade (het varken) 250 gulden. Daarentegen leken de legertekeningen van Langendijk tegen te vallen; respectievelijk 127, 81 en 100 gulden. Tot tevredenheid werd het volgende geconstateerd: ‘Wij vernemen met genoegen dat bijna al de verkochte kunstwerken in het Land blijven en voornamelijk voor bekende kunstverzamelingen zoo hier ter stede als te Amsterdam zijn aangekocht.’[39]

Abraham Gevers Arnz. (1742-1827) was commissaris van de posterijen in Holland en president van het ‘Tribunal’.[40] Hij was een achterkleinzoon van de Rotterdamse schilder Adriaan van der Werf.[41] Het was dus niet verwonderlijk dat er zich werken van zijn overgrootvader in zijn collectie bevonden. Daartoe behoorde, behalve een aantal schetsen, het ‘alom beroemde familiestuk van den Ridder Adriaan van der Werff’ – nu: Zelfportret met het portret van zijn vrouw Margaretha van Rees en hun dochtertje Maria (1699; Rijksmuseum Amsterdam). Na het overlijden van Gevers werden zijn werken in zijn sterfhuis aan het Haringvliet op 24 juli 1827 verkocht onder directie van Ary Lamme. Zijn schilderijen vormden een ‘fraai’ kabinet met behalve het genoemde familiestuk, een ‘zeldzaam’ Italiaans landschap van Nicolaas Berchem – nu: De drie kuddes (1656; Rijksmuseum Amsterdam) – en enkele schilderijen van Jan Weenix. Ook bestond de collectie uit een verzameling tekeningen van de hand van Paulus Gevers en tekeningen van diverse andere kunstenaars.[42] Of zich daarin werk bevond van contemporaine Rotterdamse kunstenaars is onbekend.

De schilderijen brachten op de veiling in totaal bijna 17.000 gulden op. Het familiestuk leverde werd verkocht voor het enorme bedrag van 6000 gulden. Eenzelfde bedrag werd ook neergeteld voor het landschap van Berchem. Beide werken werden gekocht door Ary Lamme ‘voor rekening van’ de koning – en dus, gezien hun huidige verblijfplaats, voor het Koninklijk Museum – ‘hetwelk aan de aanzienlijke menigte van kunstkenners, die deze verkooping te zamen gebragt had, geen gering genoegen verschafte, daar men ongaarne beide meesterstukken dit land zou hebben zien verlaten’.[43]

Aernout van Beeftingh (1759-1831), werkte bij de Admiraliteit van Rotterdam en vervulde verschillende functies, zoals de vroedschap in 1787 ter vervanging van de prinsgezinde raden. Aanvankelijk stond Van Beeftingh aan partiotse zijde, maar in 1787 ondertekende hij als burgemeester ook het besluit om de stadhouder te herstellen. Toen de patriotten het in 1795 weer voor het zeggen kregen, bleef Van Beeftingh buiten openbare ambten. In 1795 verdween hij uit het openbare leven en werd toen aangeduid als ‘koopman’.[44] Daarnaast was hij enorm actief binnen het Teekengenootschap en hij werkte nauw samen met de tekenleraren. Hij begon als werkend lid, maar was ook het brein achter de ‘Publiek Academie’ – een afdeling binnen het Teekengenootschap speciaal voor ambachtsjongens –, zette het huishoudelijk reglement op, stelde prenten en tekeningen beschikbaar voor de kunstbeschouwingen en schonk pleister hoofden aan het Teekengenootschap.[45] Zijn gezin werd vastgelegd op een fraai schilderij door Nicolaas Muys (1797; Rijksmuseum Amsterdam)[46] die hij kende in zijn functie van tekenleraar bij het Teekengenootschap.

Van Beeftingh had een fraaie en tamelijk uitgebreide kunstverzameling bestaande uit schilderijen en tekeningen. Hij bezat ook eigentijds werk van Dirk Langendijk, Gerrit Groenewegen, Gerard van Nijmegen en Willem van Leen.[47] In een testament liet hij onder andere de familieportretten na aan zijn zoon. Verder bepaalde hij dat zijn verzameling zo snel mogelijk na zijn overlijden verkocht zou moeten worden en wel onder directie van Nicolaas Muys en Willem van Leen.[48] Maar Muys was al in 1808 overleden en Van Leen in 1825. Op 30 april 1832 werden zijn nagelaten schilderijen dan ook ten huize van de kunstschilder Ary Lamme openbaar verkocht.[49] De catalogus omvat 224 werken. De verzameling komt overeen met veel laat achttiende-eeuwse collecties. Het merendeel bestond uit werk van of naar zeventiende-eeuwse Hollandse schilders met een zekere nadruk op het landschap- en genrestuk. Ook waren italianisanten als Jan Weenix vertegenwoordigd.[50] Uit zijn collectie is onder andere het schilderij Hertenjacht in een bos van Jan Hackaert (nu: Mauritshuis Den Haag) bekend dat gekocht werd door Ary Lamme. Biddend huisgezin, zittend aan eene van spijzen voorziene tafel van Jan Steen werd op de veiling verkocht voor 1060 gulden.[51]

Makelaar Gerrit van der Pals (1754-1839) legde de grondslag voor zijn collectie door uit de nalatenschap van de schilderijenverzameling van de Rotterdammer Jan Bisschop (1680/81-1771) in 1771 enige tekeningen en schilderijen aan te kopen.[52] De collectie groeide uit met schilderijen van voornamelijk Hollandse oude meesters: Nicolaas Berchem, Jan Asselijn, Ludolf Backhuysen, Jacob Ruysdael, Adriaan van de Velde, Philip Wouwerman en vele anderen. Daarnaast bezat hij een collectie ets- en graveerkunst, maar veel uitgebreider was zijn verzameling tekeningen, waaronder werk van oude meesters, maar ook van eigentijdse kunstenaars. Van de laatsten bezat hij werk van Dirk Langendijk en de veeschilder Jacob Kouwenhoven – die beiden veel voor Van der Pals in opdracht vervaardigden – van Hendrik Kobell, Ary Lamme en Gerrit Groenewegen.[53] Daarnaast bevond er zich in zijn collectie ook een ‘fraai Schilderijtje van dezen aankomenden Meester’, met wie de jonge Job August Bakker werd bedoeld.[54] Uit de veilingcatalogus blijkt echter dat Van der Pals twee ongedateerde paneeltjes van Job August Bakker in zijn collectie had (beide 28 x 35 cm) voorstellende Un Paysage avec une vache et plusieurs moutons; un paysan, adossé contre un arbre, est occupé à boire en Dans un Paysage sablonneux et d’un terrain inegal sont placées deux vaches, quelques moutons et une figure de femme ou marchande de possoin. Beide werden in 1824 met de schilderijencollectie van Van der Pals verkocht.[55]

Van der Pals zelf was een verdienstelijk tekenaar. Hij had les gehad van de ‘kladschilder’ Reinier van Eybergen, vervolgens drie jaar van Robbert Muys (de broer van Nicolaas Muys) en daarna van de zee- en scheepsschilder Hendrik Kobell, in wiens trant hij tekende. Ook maakte hij tekeningen naar schilderijen van bijvoorbeeld Ludolf Backhuysen die door de graveur Matthias de Sallieth in koper werden overgebracht en die vervolgens in 1783 werden uitgebracht onder de titel De Hoek van Holland.[56] Veel later kreeg Van der Pals nog les van Dirk Langendijk met wie hij een vriendschappelijke relatie zou onderhouden. Op het moment dat Langendijk in zijn latere leven in geldnood kwam, hielp Van der Pals hem uit de brand. Van der Pals was eveneens zeer bevriend met Van der Pot van Groeneveld.[57]

Van der Pals was ook actief binnen het Teekengenootschap, onder andere als bestuurder en als initiatiefnemer van de jaarlijkse openbare prijsuitreiking waarmee hij op die manier het tekenonderwijs onder de aandacht wilde brengen van de Rotterdamse bevolking. Sinds 1775 was hij ook werkend lid, dit wil zeggen dat hij ook daadwerkelijk tekende op de tekenavonden.[58]

In 1810 verliet Van der Pals de stad en ging op de boerderij Vrijenban wonen die hij had aangekocht. Vervolgens kon hij in 1818 de ernaast gelegen buitenplaats Veelzigt erbij kopen, die hij al vanaf 1816 huurde. Beide waren gelegen aan de Schie in de polder Delfgauw tussen Zweth (bij Overschie) en Delft. In 1818 tekende Van der Pals zelf vanuit zijn theekoepel Veelzigt met het uitzicht over de Schie.[59]

Job August Bakker had al eerder, in 1817, in één tekening zowel de boerderij als de buitenplaats vastgelegd, gecombineerd met zijn specialisme het veestuk. Vermoedelijk was het in opdracht van Van der Pals. Die was namelijk apetrots, toen al in 1817 bleek dat hij de buitenplaats, waar hij geruime tijd op zat te azen, zou kunnen kopen.[60] Job August Bakker was bij Van der Pals bekend. Die had werk van hem in de collectie. Bovendien kende hij de familie Bakker. Job August Bakker was leerling geweest van het Teekengenootschap en sinds 1816 was hij er docent perspectief. Diens vader, Cornelis Bakker, was er tekenleraar sinds 1795 als opvolger van zijn schoonvader August Christian Hauck, die er vanaf 1778 tekenleraar was geweest. Vermoedelijk heeft Van der Pals, sinds 1775 werkend lid, zowel les gehad van Hauck als van Cornelis Bakker.[61]

Job August Bakker, Boerderij Vrijenban en buitenplaats Veelzigt, 1817, tekening in kleur (Stadsarchief Rotterdam, inv.nr. RISCH-148). De tekening is afgebeeld in het Rotterdamsch Jaarboekje 1922 bij het artikel over Van der Pals, maar zonder vermelding van de vervaardiger.
Gerrit van der Pals, Uitzicht over de Schie vanuit de theekoepel op de buitenplaats Veelzigt, 1818, tekening in kleur (Stadsarchief Rotterdam, inv.nr. 1982-2580)

Al geruime tijd voor zijn overlijden verkocht Van der Pals in 1824 zijn schilderijenkabinet dat onder directie van Willem van Leen en Ary Lamme op 30 augustus werd geveild.[62] Of bij de verkoop ervan financiële redenen een rol speelden, is onbekend. Wat de totale opbrengst was, is evenmin bekend. In elk geval bracht het kapitale schilderij Brabants landschap, in den omtrek van Antwerpen van Adriaan van de Velde de aanzienlijke som op van 10.000 gulden.[63] In 1839 werd er blijkbaar nog een restant schilderijen van Van der Pals verkocht, gecombineerd met nalatenschappen van de kunstschilder Taco Scheltema en anderen. Bij die veiling werd een veestuk van Job August Bakker verhandeld dat omschreven werd als een ‘fraai geschilderde en een der beste van dezen meester’.[64] De collectie tekeningen en prenten, benevens prentwerken en rariteiten, werden op 1 april 1840 geveild door Ary Lamme.[65] Zelf kocht Ary Lamme uit die collectie tekeningen van de Rotterdamse kunstenaar Gerrit Groenewegen.[66]

De onderstaande collectioneurs – een volgende generatie – vormen een nieuwe groep, doordat ze zich zonder uitzondering richtten op het verzamelen van werk van eigentijdse kunstenaars. De prijs van werk van meesters uit de Gouden Eeuw was gaandeweg dusdanig gestegen dat aankoop ervan niet meer voor elke verzamelaar bereikbaar was. Dus legde de nieuwe generatie zich meer toe op het collectioneren van werken van laat achttiende-eeuwse kunstenaars en van tijdgenoten. Daarin bevond zich ook werk van Jan Hendrik van de Laar en Job August Bakker.

Christiaan Bernet (1770-1832), koopman in glas, porselein en aardewerk, bracht een aanzienlijke verzameling bijeen van de laat achttiende-eeuwse schilders Balthasar Paul Ommeganck (Een landschap met vee), Michiel Versteeg (Binnenkamer met kaarslicht en dood wild), Abraham en Jacob van Strij, Jan Kobell van Utrecht (Hollands landschap met vee), Johannes Christiaan Schotel (Een hevige storm op de Zeeuwse stromen), en van de tijdgenoten Andreas Schelfhout, Ary Scheffer, Ferdinand de Braekeleer, Gustaf Wappers, Jozef Moerenhout, Eugène Verboeckhoven en vele anderen.[67] Zijn collectie, die uit 120 schilderijen bestond, werd op 20 juni 1833 geveild door kunsthandelaar Ary Lamme. Het hele kabinet bracht bijna 20.000 gulden. De duurste schilderijen waren die van Versteeg (1635 gulden), Kobell (1410 gulden), Schotel (1305 gulden), Ommeganck (1010 gulden) en Schelfhout (950 gulden).[68]

Helaas is op de collectie van Bernet na van de andere drie verzamelaars nauwelijks iets bekend over de samenstelling ervan. Van de koopman Franciscus Marinus Netscher (1782-1829) weten we niet meer dan dat hij een ‘aanzienlijke’ verzameling had van ‘fraaije […] schilderijen en teekeningen’ die op 8 en 9 april 1829 geveild werd door Ary Lamme.[69] De ‘fraaije’ verzameling van Jan Willem Tollens (1786-1833), koopman in verfwaren en broer van de dichter Hendrik Tollens, kende oude en hedendaagse ‘beroemde’ meesters en werd op 6 en 7 april 1636 bij Ary Lamme geveild.[70] Laken- en zijdehandelaar Herman Bezoet de Bie (1791-1834) en brander en distillateur Johannes Cornelis de Bie (1774-1840) brachten samen een ‘fraaije verzameling schilderijen van beroemde hedendaagsche meesters’ bij elkaar. Ze kwam op 26 oktober 1840 bij Ary Lamme onder de hamer.[71] Daarin bevonden zich vier werken van Jan Hendrik van de Laar, die toen nog aan het begin van zijn carrière stond, en die tussen 1830 en 1836 door Bezoet de Bie werden aangekocht: De jonge Brouwer krijgt bij Frans Hals te wijde kleren aan (1830), Een episode van een watersnood (1832), Een oude visser met twee kinderen (1834) en Een binnenplaats met figuren (1834). Van Job August Bakker kochten ze een ‘wel uitgevoerd en krachtig behandeld’ schilderijtje van Een gitaar spelende dame.[72]


[1] Roeland van Eynden en Adriaan van der Willigen, Geschiedenis der Vaderlandsche Schilderkunst, sedert de helft der XVIII eeuw, 3 (Haarlem 1816-1840) 480-481; E. Wiersum, ‘De brieven van Pieter Joseph Thijs aan Gerrit van der Pot van Groeneveld’, in: Rotterdams Jaarboekje (Rotterdam 1932) 14.

[2] Wiersum, (1932) 14.

[3] J.A. Bakker, De oorsprong er Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen te Rotterdam aangetoond in de geschiedenis van het Teekengenootschap “Hierdoor tot Hooger” (Rotterdam 1900) 22.

[4] Wiersum (1932) 7, noot 1. Van der Pot van Groeneveld trouwde driemaal. De eerste twee huwelijken bleven kinderloos, uit het derde werd een dochtertje geboren, maar dat overleed al kort na de geboorte.

[5] E. Wiersum, ‘Het ontstaan van de verzameling schilderijen van Gerrit van der Pot van Groeneveld te Rotterdam’, in Oud Holland 48 (1931) (201-214) 201-202.

[6] Wiersum (1931) 206-207. Zie voor Joost van Geel: P. Haverkorn van Rijsewijk, ‘Joost van Geel’, in: Oud Holland 16 (1898) 32-50.

[7] Wiersum (1931) 212; Wiersum (1932) 10.

[8] Wiersum (1931) 206-207 en 212.

[9] Wiersum (1932) 7 en noot 4. Van der Pot zou drie schilderijen van Gerard van Nijmegen met Schoonenberg als onderwerp in bezit hebben gehad.

[10] Wiersum (1931) 211.

[11] Van Eynden en Van der Willigen 3 (1816-1840) 436-437 en 478-479; Wiersum (1931) 204; ‘Het Gouden Feest van het Rijksmuseum, 1885-13 juli-1935’, in: Het Vaderland, 10 juli 1935. In 1815 werd het museum ondergebracht in het Trippenhuis en zou in 1885 Rijksmuseum Amsterdam gaan heten.

[12] Wiersum (1931) 211.

[13] Van Eynden en Van der Willigen 2 (1816-1840) 361 (over Langendijk), 301-302, 247-254 (over Van Nijmegen en Muys), dl. 3 p. 479 (over Kobell); Fr.D.O. Obreen, Rotterdamsche Historiebladen, I (Rotterdam 1880) 654 (over Van Nijmegen); Wiersum (1931) 204, 207, 209 en 212 (over Van Nijmegen); M. E. Deelen, A.M. Meyerman, M.C. Plomp, P. Ratsma, Dirk Langendijk (1748-1805), tekenaar tussen kruitdamp en vaderlands gevoel (1982) 14; P. Ratsma, ‘De Rotterdamse tekenaar Gerrit Groenewegen (1754-1826), in: Rotterdams Jaarboekje (1977) 168.

[14] Wiersum (1931) 210-211.

[15] Ratsma (1977) 168-169, noot 102 en 103; zie voor de vier tekeningen p. 177, noot 85; en RKD.

[16] Frans Grijzenhout, Een koninklijk Museum. Lodewijk Napoleon en het Rijksmuseum 1806-1810 (Zwolle 1999) 50.

[17] Opregte Haarlemsche Courant, 12-4-1808 en 26-5-1808; Ratsma (1977) 179, noot 107 en 109.

[18] Wiersum (1931) 202.

[19] Opregte Haarlemsche Courant, 12-4-1808 en 26-5-1808.

[20] Wiersum (1932) 8; Ratsma (1977) 168.

[21] Van Eynden en Van der Willigen 3 (1816-1840) 436-437 en 478-479; Wiersum (1932) 8.

[22] Grijzenhout (1999) 12.

[23] Wiersum (1931) 207-213; Grijzenhout (1999) 46-49.

[24] Grijzenhout (1999) 49. Zie voor de schilderijenverzameling en het Rijksmuseum behalve Wiersum (1931) ook Tim Zeedijk, ‘ “Tot voordeel en genoegen”: de schilderijenverzameling van Gerrit van der Pot van Groeneveld’, in: Bulletin van het Rijksmuseum 55 (2007) 128-207.

[25] Rotterdamsche Courant, 14-03-1809; Van Eynden en Van der Willigen 2 (1816-1840) 247-254; A.J. van der Aa, Biographisch Woordenboek der Nederlanden 13 (1868) 422; https://www.dbnl.org/titels/titel.php?id=aa__001biog00

[26] Frans Grijzenhout, ‘Ballingschap in beeld, of: Belisarius in Holland’, in: De Achttiende Eeuw 38 (2006) 146; https://www.dbnl.org/tekst/_doc003200601_01/_doc003200601_01_0015.php

[27] Van Eynden en Van der Willigen, 2 (1816-1840) 185 en dl. 3, p. 441.

[28] Rotterdamsche Courant, 4-1-1810, 27-2-1810 en 28-7-1810; Veiling van de schilderijen en tekeningen uit de verzameling van Daniël de Jongh Az. bij gebr. Van Rijp te Rotterdam, 26 maart 1810 (Rotterdam 1810).

[29] Van Eynden en Van der Willigen 3 (1816-1840) 440-441.

[30] Bakker (1900) 35.

[31] Rotterdamsche Courant, 26-3-1811.

[32] Catalogus van eene fraaije verzameling zoo gekouleurde als ongekouleurde teekeningen, alsmede eene groote collectie van fraaije prenten en pourtraiten […] eenige fraaije schilderyen […] grootendeels byeenverzameld en naargelaten door den kunstlievenden heer Hendrik Verdonck […] [Rotterdam 1811].

[33] Catalogus van het uitmuntend Kabinet Schilderyen […] den wel Edelenheer Thomas Theodore Cremer, 16 avril 1816. Rotterdam, van den Dries, 1816 (Rotterdam 1816); Van Eynden en Van der Willigen 3 (1816-1840) 450-451; Rotterdamsche Courant, 9-3-1816; Van der Aa, 19 (1876) 68; Obreen, I (1880) 604, 647, 654-655; Wiersum (1932) 10 en 14.

[34] Rotterdamsche Courant, 31-3-1818; Catalogus van schilderijen, miniaturen, teekeningen en prenten gedeeltelijk nagelaten door wijlen den Kunstschilder G.J. van den Berg door Petrus Eliza van Ryp (Rotterdam [1818]); Van der Aa 2 (1854) 369.

[35] Stadsarchief Rotterdam, Resolutieboek van het Konst Genoodschap onder de zinspreuk Hierdoor tot Hooger beginnende met 16 Juny 1773 (typoscript) inv.nr. XX C 29.

[36] Van Eynden en Van der Willigen, 3 (1816-1840) 479-480 en dl. 4, p. 19; Rotterdamsche Courant, 2-6-1860.

[37] Van Eynden en Van der Willigen 2 (1816-1840) 359 (over Langendijk) en dl. 3, p. 66 (over Groenewegen); Hazewinkel (1955) 128-129; Ratsma (1977) 166 en 170.

[38] Rotterdamsche Courant, 7-5-1860, 21-5-1860, 30-5-1860 en 2-6-1860.

[39] Rotterdamsche Courant, 9-6-1860.

[40] Wiersum (1932) 10.

[41] E. Wiersum, ‘Ridder Adriaen van der Werff’, in: Rotterdamsch Jaarboekje (1927) 10. Zijn vader Arnout Gevers was getrouwd met Margaretha Maria Brouwer die een dochter was van Maria van der Werff, de dochter van Adriaan van der Werff.

[42] Rotterdamsche Courant, 26-7-1827; Opregte Haarlemsche Courant, 7-7-1827; Wiersum (1927) 10.

[43] Rotterdamsche Courant, 26-7-1827.

[44] A.M. Meyerman, N.I. Schadee en Ch. Tiels, Aangenaam gezelschap zes conversatiestukken van Nicolaas Muys (Rotterdam 1992) 45-46.

[45] Zie: Bakker (1900) 8-10, 12, 14, 16-18, 29, 32, 35, 37, 40, 42, 46, 51; Wilma van Giersbergen, Rotterdamse Meesters. Twee eeuwen kunstacademie in Rotterdam 1773-1998 (Rotterdam 2012) 22-23 en 26-28.

[46] Zie Meyerman e.a. (1992) 44-50; particuliere collectie, in bruikleen aan het Rijksmuseum Amsterdam.

[47] Van Eynden en Van der Willigen 3 (1816-1840) 66 en 480, dl. 4, p. 40; H.C. Hazewinkel, ‘Dirk en Jan Anthonie Langendijk en Christoffel Meijer’, in: Rotterdams Jaarboekje (1955) 128; Meyerman e.a. (1992) 47.

[48] Meyerman e.a. (1992) 47.

[49] Van Eynden en Van Willigen 4 (1816-1840) 41.

[50] Meyerman e.a. (1992) 47.

[51] J. Immerzeel, De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters van het begin der vijftiende eeuw tot heden I (Amsterdam 1842-1843) 36.

[52] E. Wiersum, ‘Uit het dagboek van Gerrit van der Pals’, in: Rotterdamsch Jaarboekje (1922) 4.

[53] Van Eynden en Van der Willigen 2 (1816-1840) 359 (over Langendijk) en 374 (over Hendrik Kobell), dl. 3, p. 220 (over Kouwenhoven) en p. 477-478 (oude meesters, H. Kobell, Langendijk), dl. 4, p. 72 (over Langendijk); Van der Aa 15 (1872) 68; E. Wiersum, ‘Uit het dagboek van Gerrit van der Pals’, in: Rotterdamsch Jaarboekje (1922) 7; Hazewinkel (1955) 127; Ratsma (1977) 166.

[54] Van Eynden en Van Willigen 3 (1816-1840) 307; de auteurs zelf bezaten ook een schilderijtje van J.A. Bakker, gedateerd 1817.

[55] Catalogue d’une tres belle collection de Tableaux, de monsieur Gerrit van der Pals […] [Rotterdam 1824] 4; Wilma van Giersbergen, Op zoek naar werk. De productieve kunstenaarsfamilies Hauck-Bakker-Van de Laar in Rotterdam 1770-1920 (Rotterdam 2018) Bijlage 7.

[56] Van Eynden en Van der Willigen, 3 (1816-1840) 478, dl 4, p. 71 en p. 185; Van der Aa 15 (1872) 68; Wiersum (1922) 4-5 en 7.

[57] Van der Aa 15 (1872) 68; Wiersum (1922) 7; Hazewinkel (1955) 127.

[58] Van Eynden en Van der Willigen 4 (1816-1840) 71; Zie voor Van der Pals: Van Giersbergen (2012) 28-29, 51 en 63.

[59] Wiersum (1922) 8, 11.

[60] Wiersum (1922) 11.

[61] Van Giersbergen (2018) 77-117.

[62] Opregte Haarlemsche Courant, 12-8-1824. Van der Pals had een dochter die de volwassen leeftijd bereikte. Zij huwde met de kunstschilder G.J. Verburgh, die les had gehad van Hauck (Van der Aa, dl. 19, 1876, 133)

[63] Van der Aa 19 (1876) 68; Wiersum (1922) 10.

[64] Catalogus van eene aanzienlijke partij schilderijen, door beroemde oude en hedendaagsche Meesters; miniaturen, teekeningen, prenten, prentwerken, schilderboeken en schildergereeschappen; afkomstig uit onderscheidene Nalatenschappen, als: van wijlen de weledele Heeren Gerrit van der Pals, Taco Scheltema en anderen [Rotterdam] 1839) 4.

[65] Rotterdamsche Courant, 26-3-1840.

[66] Ratsma (1977) 177, noot 84.

[67] Rotterdamsche Courant, 25-4-1833.

[68] Nederlandsche Staatscourant, 1-7-1833.

[69] Rotterdamsche Courant, 24-3-1829 en 7-4-1829; Nederlandsche Staatscourant, 9-3-1829.

[70] Rotterdamsche Courant, 26-3-1836 en 5-4-1836; Catalogus van eene aanzienlijke verzameling schilderijen, door beroemde oude en hedendaagsche Meesters, waarvan vele in ouderwetsche vergulde lijsten, alsmede eenige Teekeningen en Prenten, grootendeels nagelaten door wijlen den Weledelen Heer Jan Willem Tollens ([Rotterdam] 1836).

[71] Catalogus van eene fraaije verzameling schilderijen, door hedendaagsche Meesters, als mede van eenige teekeningen, nagelaten door wijlen de wel edele Heeren Johannes Cornelis de Bie en Herman Bezoet de Bie ([Rotterdam] 1840); Rotterdamsche Courant, 26-9-1840 en 5-10-1840; Wiersum (1932), 16, noot 1 (beroep Herman Bezoet de Bie).

[72] Zie Van Giersbergen (2018) 137, Bijlage 8 (cat.nr. 34) en Bijlage 10 (cat.nrs. 3, 12, 30, 31 en 47).