Bert Bakker

B. Bakker [1871-1958]

De tweeling Bert en Frans Bakker waren zoons van Hendrik Bakker en Neeltje Zijdeman. Beiden studeerden aan de Rotterdamse Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen.

Bert Bakker werd architectonisch tekenaar in Rotterdam. Hij ontwierp onder andere in 1909 een nieuw gebouw voor de Eerste Rotterdamsche Stoom- en Electrische Wasch- en Strijkinrichting aan de Tuindersstraat. Kort daarna vertrok hij naar Den Haag, waar hij zich als zelfstandig architect zou gaan vestigen.

Frans Bakker

F. Bakker [1871-1944]

De tweeling Frans en Bert Bakker waren zoons van Hendrik Bakker en Neeltje Zijdeman. Beiden studeerden aan de Rotterdamse Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen. Frans werkte tijdens zijn studietijd bij decorateur Jannes Jeen Poutsma. Na zijn studie vertrok hij naar Parijs om in de leer te gaan bij het bekende decoratieatelier van Rubé en Chaperon. Terug in Nederland kreeg Frans grote bekendheid met zijn ontwerpen voor een groot aantal praalwagens voor de historische optocht bij gelegenheid van de inzegening van Wilhelmina tot koningin in 1898 (deze ontwerpen bevinden zich in het Stadsarchief Rotterdam).

Frans Bakker werd vooral bekend van zijn decorstukken voor toneel en opera in Rotterdam en in Amsterdam. Hij werkte voor de grootste concert- en schouwburgzalen en met de meest vooraanstaande toneelgezelschappen, zoals Nap de la Mar, Willem Royaarts, de gebroeders Van Lier en de Nederlandse Opera. Verder vervaardigde hij affiches, erebogen, interieurdecoraties (Stadsarchief Rotterdam) en toverde hij voor bedrijven, beurzen, nijverheidstentoonstellingen en studentenlustra zalen en buitenruimten om in een wintertuin, Japanse stad, Romeinse taveerne enzovoort. Als decorateur voelde hij zich miskend, en wilde daarom als schilder werkzaam zijn. Omstreeks 1920 vertrok hij naar Nederlands-Indië, waar hij zich toelegde op het schilderen van Indische landschappen en figuren. Op het eind van zijn leven vestigde hij zich in Den Haag.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is kunst004-frans-bakker-rotterdam.jpg
Doek Frans Bakker, Rotterdam-Kralingen. Foto Stichting CBC

Hendrik Bakker

H. Bakker [1843-1893]

Decoratieschilder Hendrik Bakker (1843-1893) was zoon van Franciscus Pieter Bakker en Johanna Bernadina van de Laar. Hij heeft zijn ouders amper gekend en zijn oom Bernard van de Laar heeft zich vanaf 1860 als voogd over hem ontfermd. In 1870 trouwde hij met Neeltje Zijdeman, dochter van een molenmaker en timmerman. Een van haar broers werd lithograaf in Rotterdam.

Hendrik Bakker decoreerde verschillende interieurs van Rotterdamse patriciërshuizen (Stadsarchief Rotterdam). In 1866 gaat Hendrik Bakker met zijn oom Bernard van de Laar een compagnonschap aan voor het uitoefenen van ‘het huisschildersbedrijf en glazenmakerij’. Het bedrijf heeft een prominente plaats binnen Rotterdam weten te veroveren.

Jan Hendrik van de Laar

J.H. van de Laar [1807-1874]

Jan van de Laar (1807-1874) volgde tegelijkertijd met Aren Bakker onderwijs aan de Antwerpse Academie. Na zijn gedwongen terugkeer werd hij eveneens tekenleraar bij het Rotterdamse Genootschap ‘Hierdoor tot Hooger’.

Van de Laar legde zich toe op de genreschilderkunst en de historieschilderkunst, een genre dat in die tijd in ons land enorm werd gepropageerd. Hij zou samen met J.H. Egenberger, W. Mol, S. Opzoomer, J.W. Pieneman, N. Pieneman, Ch. Rochussen, H.A. van Trigt en B. Wijnveld een van de belangrijkste historieschilders van ons land worden. Kenmerkend is dat van genoemde schilders er drie uit Rotterdam kwamen: Van de Laar, Rochussen en Opzoomer. Van de Laars bekendste werken zijn De Echtscheiding (Museum Boijmans), De gebedsdienst in de Pieterskerk na het Ontzet (Lakenhal Leiden) en Afscheid van Albrecht Beiling (Museum Boijmans).

Noodgedwongen vervaardigde Jan Hendrik in zijn latere leven ook schoorsteenstukjes en dessu de portes voor particulieren, en maakte ontwerpen voor zilversmeden. Jan van de Laar trouwde met Christina Wilhelmina van Wijngaerdt (1813-1839). Ook zij stamde uit een Rotterdamse kunstenaarsfamilie. Haar broer Petrus Theodorus van Wijngaerdt (1816-1893) was schilder van romantische landschappen en haar broer Antonius Jacobus van Wijngaerdt (1808-1887) schilderde vrolijke gezelschappen in interieurs in de trant van Bakker Korff en David Bles. Daarmee werden de drie kunstenaars zwager van elkaar. De beide van Wijngaerdts werden eveneens tekenleraar, zij het niet in Rotterdam, maar in Gouda en in Haarlem.

Aren Bakker

A. Bakker [1806-1843]

De jong gestorven Aren Bakker was in 1828 een van de weinige Rotterdammers die in Antwerpen aan de Academie konden studeren. Daar studeerde hij – met de hem reeds bekende – Jan Hendrik van de Laar. Een zuster van deze laatste was juni 1828 met Franciscus Bakker, zijn broer, getrouwd.

Helaas gooide de Belgische Opstand in 1830 roet in het eten en dwong de Rotterdammers naar hun stad terug te keren. Evenals zijn broer Job Augustus, werd Aren tekenleraar bij het Genootschap ‘Hierdoor tot Hooger’ in Rotterdam en bleef hij er tot aan zijn dood werkzaam. Hij specialiseerde zich in portretten en interieurs met figuren, maar overleed te jong om echt carrière te maken.

Bernardus van de Laar

B. van de Laar [1804-1872]

Bernard van de Laar, zoals hij zichzelf noemde, was de broer van Jan Hendrik. Hij kreeg bij het Genootschap les van Cornelis Bakker en kwam in het huisschildersbedrijf van zijn vader, Hendrik van de Laar, te werken.

Bernard legde zich toe op het schilderen van landschappen en kerkinterieurs. Later werkte hij voornamelijk als decoratieschilder. Hij werd in Rotterdam vaste toneelmeester voor de concertzaal en was daardoor verantwoordelijk voor de toneeldecoraties. Hij decoreerde verschillende feestzalen, zoals bij de opening van de Hollandsche Spoorweg Amsterdam-Rotterdam (1847), de Nederlandsche-Rhijn-Spoorweg-Maatschappij (1855) en bij eerste spade van de aanleg van de Nieuwe Waterweg (1866). Hij werd daarbij vaak geholpen door zijn broer Jan Hendrik, die zinnebeeldige voorstellingen en figuren maakte. Voorbeelden daarvan zijn werken voor de Rembrandtfeesten in Amsterdam (1852), het jubileum van de Vereniging de Toonkunst in Rotterdam (1854) en het Rotterdamse Hotel Leygraaff (1855).

Bernard van de Laar was ook medeoprichter van de vereniging Lukas (1866), een oefenschool voor aankomende huisschilders.

Job Augustus Bakker

J.A. Bakker [1796-1876]

Naast lessen aan het Genootschap ‘Hierdoor tot Hooger’ in Rotterdam heeft Job Augustus Bakker (1796-1876) ook les gekregen van de befaamde Dordtse bloemenschilder Willem van Leen en van de veeschilder Jakob van Kouwenhoven. Job Augustus ging zich voornamelijk toeleggen op het schilderen van veestukken.

‘Te oordeelen naar het talent, dat deze meester heeft doen blijken in de schilderwerken, die wij op onderscheiden tentoonstellingen van hem aantroffen, zou men zich moeten beklagen, dat het lesgeven hem zoo zeer belemmert in het vervaardigen van kabinetstukjes, indien hij ons daarvoor niet schadeloos stelde door zijne letterkundige werkzaamheden. De Heer J.A. Bakker bezit bij eenen wijsgeerigen geest, grondige kennis en opmerkelijke scherpzinnigheid, tevens de gaaf van diepzinnige onderwerpen op eene bevattelijke wijze voor te dragen,’ aldus Johannes Immerzeel in zijn Levens en werken in 1842.

Toen Immerzeel deze lovende woorden schreef, was Job Augustus 46 jaar oud. Hij was definitief gestopt als vrij kunstenaar om zich volledig te richten op zijn passie: het schrijven van filosofische, geschiedkundige, letterkundige en kunsttheoretische werken. Om dat te kunnen bereiken, moet zijn functie als tekenleraar bij het Genootschap ‘Hierdoor tot Hooger’ in Rotterdam niet worden onderschat. Die moet voor hem veel meer hebben ingehouden dan alleen lesgeven. Hij vond er namelijk gelijkgestemde, inspirerende collega’s.

Cornelis Bakker

C. Bakker [1771-1849]

Een van Haucks leerlingen was de 13-jarige, uit Goedereede afkomstige Cornelis Bakker, zoon van Job Krijnse Bakker, meester-kuiper, bode en burgemeester, en van Jannetje Kievit. Bakker ging inwonen bij zijn leermeester in Rotterdam. Hij kreeg tevens les bij het Tekengenootschap. Deze zeer begaafde leerling ontving bij het Genootschap diverse prijzen, maar de belangrijkste was wel de ereprijs in 1790 voor het tekenen naar levend naakt mansmodel. Deze prijs – een extra prijs, aangezien hij alle andere al had gewonnen – gaf hem toegang tot het werkend lidmaatschap van het Genootschap. Het behalen van deze prijs was voor hem dus statusverhogend. Voortaan mocht hij tekenen samen met de leden uit de hogere burgerstand.

Bakker werd verliefd op Susanna Eva Hauck, de enige dochter van Hauck, met wie hij in 1795 in het huwelijk trad.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is kunst002-cornelis-bakker-dochter.jpg
Krijttekening A.C. Hauck: Dochter Susanna met Cornelis Bakker. Foto RKD

Op dat moment was het kunstklimaat in Rotterdam schraal en armoedig te noemen. Het aantal kunstenaars was gereduceerd tot zo’n tien. De verschraling werd nog erger, toen in 1810 de inlijving met Frankrijk een feit werd. De werkloosheid was enorm en de handel lag nagenoeg stil. Het geven van privétekenlessen was voor Bakker noodzakelijk om enige inkomsten te genereren. In 1798 volgde hij zijn schoonvader op bij het Tekengenootschap, een functie die hij tot 1835 zou vervullen. Bakker hield zich vooral bezig met de portretkunst en genrestukken (binnenhuizen), maar hij specialiseerde zich in de miniatuurportretkunst, een vak dat hij van zijn schoonvader had geleerd. Ook voor hem gold, net zoals voor Hauck, dat het tekenonderwijs hem uiteindelijk zoveel werk verschafte dat zijn ‘vrije’ werk in het gedrang raakte.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is kunst006-cornelis-bakker-vertumnus-pomona.jpg
Paneel Cornelis Bakker: Vertumnus en Pomona. Foto Stichting CBC

Het echtpaar Bakker-Hauck kreeg vijf kinderen, van wie Job Augustus Bakker en Aren Bakker in de voetsporen van hun vader zouden treden.

Contact met de familie van de Laar

Een van de leerlingen aan wie Cornelis Bakker bij het Tekengenootschap les gaf, was Hendrik van de Laar (1780-1843) uit Breda. Deze was op dat moment meester-schilder, dus huisschilder. De reden waarom Van de Laar in Rotterdam les nam, is onbekend. Van oudsher was Brabant veel meer op het zuiden gericht. Het was dan ook logisch geweest als Van de Laar naar Antwerpen zou zijn gegaan. Hendrik van de Laar trouwde in 1801 met de 29-jarige Cornelia van Milligen, weduwe van Bernard Harmeijer, die was achtergebleven met vier jonge kinderen. Het echtpaar Van de Laar-van Milligen kreeg vervolgens vijf kinderen. Hun zonen Bernardus van de Laar en Jan Hendrik van de Laar werden kunstschilder. Hun dochter Johanna Bernadina van de Laar (1802-1845) zou trouwen met Franciscus Pieter Bakker (1804-1860), zoon van Cornelis Bakker en Susanna Eva Hauck. Daarmee raakten de beide families aan elkaar verwant.

Augustus Christian Hauck

A.C.Hauck [1742-1801]

Augustus Christian Hauck was de zoon uit het tweede huwelijk van Johann Jacob Hauck (±1700-±1769). Hij kreeg als kind tekenles van zijn vader, die omstreeks 1769 stierf. Haucks moeder, Eva Fabricius, werd na de dood van haar man waarschijnlijk financieel afhankelijk van haar zoon Augustus Christian, die daarmee zijn wens om ‘vrij’ kunstenaar te worden in de problemen zag komen.

Hauck vertrekt uit geboorteplaats Mannheim

De levenswandel van Augustus Christian Hauck is, nadat hij in 1756 uit Mannheim vertrok, tot 1768 behoorlijk schimmig. Omstreeks 1764 portretteerde hij in Krefeld verschillende leden van de familie Von der Leyen, zijdehandelaren. Daarna duikt hij op in de omgeving van ’s-Hertogenbosch en hij staat in 1768 ingeschreven bij de tekenacademie Pictura in Den Haag. Hij vertrekt in maart van dat jaar halsoverkop naar Leiden met achterlating van een contributieschuld. Wie of wat hem op het spoor van Leiden had gezet, is onbekend. Hauck probeerde er als portretschilder aan de kost te komen en hij portretteerde diverse vooraanstaande personen, die echter niet of nauwelijks een band met Leiden hadden. Hauck begaf zich ook op het terrein van de decoratieve schilderkunst, kennelijk om in zijn levensonderhoud te voorzien. Als immigrant integreerde hij snel door in 1770 te trouwen met de Leidse Judith Ribot, dochter van de Franse lakenwever François Ribot en de Leidse Susanne Collet. Ribot was een gevluchte Hugenoot uit de Languedoc, Collet stamde eveneens af van Hugenoten. In Leiden handelde Ribot in textiel, zoals kousen, handschoenen en mutsen. Hij boerde goed, want hij was in staat een huis aan de Oude Singel te kopen. Het echtpaar Hauck-Ribot kreeg vijf kinderen, van wie alleen dochter Susanna Eva Hauck in leven zou blijven.

Hauck vertrekt naar Rotterdam in 1776

Na de dood van zijn schoonouders, verkocht Hauck het huis aan de Oude Singel in Leiden en vertrok hij in 1776 om onbekende reden met zijn gezin naar Rotterdam. Op 6 december van datzelfde jaar legde hij de eed als poorter af. Met de kunst en het kunstonderwijs was het in Rotterdam in die tijd niet best gesteld. Het vermoeden rijst dat er in de stad meer vraag was naar decoratieschilders dan naar portretschilders. Het is dan ook onduidelijk wat Hauck, in de wetenschap dat er voor portretschilders weinig werk was, bewoog om zich in Rotterdam te vestigen. Op dat moment waren er een kleine twintig kunstenaars actief, die hoofdzakelijk de portretkunst, het genre, de interieurkunst en de graveerkunst beoefenden. Misschien verwachtte Hauck werkgelegenheid bij het in 1773 opgerichte Tekengenootschap ‘Hierdoor tot Hooger’ of probeerde hij er een bestaan als decoratieschilder op te bouwen. Een Tekengenootschap was niet zozeer interessant vanwege de financiële verdiensten, want die waren er nauwelijks, maar veel meer vanwege potentiële opdrachtgevers. De werkende en honoraire leden waren immers burgers uit de gegoede en zeer gegoede stand. Zij gaven opdracht tot het portretteren van familieleden, tot het decoreren van hun huizen, tot het geven van privétekenles aan hun kinderen en, aangezien er zich onder hen verschillende kunstverzamelaars bevonden, tot het vervaardigen van schilder- en tekenwerk voor hun kabinetten en portefeuilles. Het was voor een kunstenaar dus bijzonder aantrekkelijk om deze kring binnen te komen.

Hauck legde zich in Rotterdam in eerste instantie toe op de portretkunst.

Krijttekening A.C. Hauck, zelfportret. Foto RKD

Hij portretteerde enkele Rotterdammers, maar evenals in Leiden legde hij ook burgers vast die geen relatie met Rotterdam hadden, zoals de Dordtse sieraad-, behangsel- en rijtuigschilder Jan Ponse.

Ook hield Hauck zich bezig met het miniatuurportret, een in die tijd populair genre. Een activiteit waar eveneens brood inzat, was het tekenen van klederdrachten. Hauck vervaardigde in totaal zo’n honderd tekeningen van kostuums van vreemde volkeren en Hollanders. In 1795 zou hij kleurrijke tekeningen vervaardigen van militairen uit het Franse leger. Zijn schoonzoon Cornelis Bakker heeft van deze tekeningen gravures gemaakt.

Hauck werd in 1778 benoemd tot tekenleraar bij het Tekengenootschap en in 1781 was hij medeoprichter van de ‘Publiek Academie’, een opleiding voor ambachtsjongens die niet tot het gilden werden toegelaten. Hij kon niet bevroeden dat deze opleiding de basis zou worden van de latere Rotterdamse kunstacademie. Hauck besteedde zo veel tijd aan het geven van tekenles aan huis dat daarmee zijn ‘vrije’ werk in het gedrang kwam.

Philip Elias Hauck

P.E. Hauck [1735-1784]

Philip Elias Hauck verliet op enig moment het Duitstalige gebied en vertrok naar Engeland. De eerste levenstekenen in Londen dateren van omstreeks 1755. Mogelijk was Hauck door landgenoten op Londen geattendeerd, want hij was niet de enige kunstschilder uit het Duitstalige gebied die de Noordzee overstak. Vanaf 1750 was de portretkunst in Londen in opmars en ze zou uitgroeien tot een populaire kunstvorm. Het waren dan ook vooral portretschilders, die naar Londen vertrokken, zoals de uit Thüringen afkomstige miniatuurportretschilder Jeremias Majer (1735-1789), die zich daar Jeremiah Meyer noemde. Hij werd er leerling van Joshua Reynolds (1723-1792), de beroemdste Engelse portrettist en kunsttheoreticus van zijn tijd. Na Hauck arriveerde omstreeks 1758 de Frankfurter portretschilder Johan Zoffany, geboren Zauffalij (1733-1810). Het kunstklimaat kwam in Londen echt tot bloei met het aantreden van koning George III in 1760. Behalve dat deze koning bijzonder geïnteresseerd was in cultuur en wetenschappen, was hij ook mecenas en opdrachtgever. Het kunstvriendelijke en voor portretschilders aantrekkelijke klimaat trok in de jaren zestig veel buitenlandse kunstenaars aan.

Er zijn erg weinig werken van Philip Elias Hauck bekend, maar het is heel goed mogelijk dat er zich schilderijen van hem in particuliere collecties bevinden. Zijn werk signeerde hij op verschillende manieren, zodat het vaak aan verschillende kunstenaars werd toegeschreven. Hij signeerde als Joh. Maurice Hauck, J. Maurice Hauck, P. Hauck en misschien ook als M.P. Hauck. (Bijlage: Overzicht portretten) De voornaam Johann, die afgekort werd tot Joh., was in Duitsland veelal bedoeld om aan te geven dat men uit een protestantse familie afkomstig was. De roepnaam was meestal de naam van de peter. Om die reden luisterde vader Johann Jacob Hauck naar de naam Jacob. Wel ondertekende hij zijn kwitanties met zijn volledige voornamen, maar hij signeerde met zowel J.J. als met J. Hauck. Philip Elias daarentegen had een peet die Philip heette. De naam Elias was een fantasienaam. Dit kan verklaren waarom hij wel de P gebruikte in zijn signering, maar nooit Elias. Daarentegen voerde hij wel de naam Maurice, kennelijk ook een fantasienaam. Met de naam Joh. wilde Hauck klaarblijkelijk tot uitdrukking brengen dat hij een kunstenaar was van protestantse huize. In Engeland werd Joh. kennelijk voor John aangezien waardoor Hauck daar nu ook te boek staat als John Maurice Hauck.

Begin jaren vijftig had Londen voor een (portret)schilder nog niet veel te bieden. Een grote academie zoals in Parijs, belangrijk als netwerk en als expositieruimte, ontbrak op dat moment. Wel waren er diverse particuliere tekenacademies, waarvan de belangrijkste de St. Martin’s Lane Academy was die de Londense kunstscène domineerde van 1735-1768. Daarnaast had het Foundling Hospital vanaf 1746 een schilderijencollectie opgebouwd die voor bezoekers toegankelijk was. De collectie was ontstaan doordat kunstschilders zo genereus waren de schilderijen met de door hen geportretteerde bestuurders, naast andere schilderstukken, aan het instituut af te staan.

Het vroegst bekende portret van Philip Elias Hauck – dat van Gustavus Waltz (?-1759) – schilderde hij omstreeks 1755. Het werk is ongesigneerd, maar uit het onderschrift op een prent ernaar blijkt dat J.M. Hauck de schilder was. Waltz was een genaturaliseerde Brit van Duitse afkomst, die sinds 1732 koorzanger was bij de componist Georg Friedrich Händel (1685-1759), eveneens van Duitse afkomst en genaturaliseerd tot Brit. Händel was ‘governor’ van het Foundling Hospital en sinds 1750 werd daar in de kapel onder diens leiding de Messiah ten gehore gebracht. Waltz zong in 1754, 1756, 1758 en 1759 in Händels Messiah. De vraag dringt zich dan ook op in hoeverre er een relatie bestond tussen Hauck, de connecties van Händel en het Foundling Hospital, en in hoeverre Hauck het portret bedoeld had voor het Foundling Hospital.

Philip Elias Hauck trouwde op 4 februari 1762 met Ann Collinson in de kerk van St. Andrew te Holborn, West-Londen. Het is onbekend waarom Hauck in die kerk trouwde, maar de organist John Stanley (1726-1786) was Händel na diens dood in 1759 opgevolgd als ‘governor’ van het Foundling Hospital. Hij zette de traditie van de Messiahuitvoeringen voort. Waltz werkte rond 1755 in Londen voor Händel. Dat zou kunnen betekenen dat het portret van Waltz in Londen is geschilderd en dat Hauck toen eveneens in Londen woonde.

Tussen ongeveer 1759 en 1761 hield Hauck zich op in York, waar hij een zelfportret en de portretten van Robert Ledger en Thomas Beckwith schilderde. Robert Ledger (1717/1718-1779) was textielhandelaar en had zich omstreeks 1755 in York, in Stonegate, gevestigd als graveur. Hij was er als eerste prentendrukker in de stad tot ongeveer 1763 werkzaam. Ledger is afgebeeld met in zijn hand een ‘porte-crayon’, een houder die vaak tweezijdig te gebruiken was en waar een stuk krijt, houtskool of grafiet in geklemd kon worden. (afb. I.26) De houder diende niet alleen om de vingers van de kunstenaar schoon te houden, maar ook om kleine stukjes krijt op te maken. Het porte-crayon stond symbool voor iemand die op zijn minst de tekenkunst onder de knie had. Dat was de reden dat veel schilders zich in die tijd lieten afbeelden met een porte-crayon. Prominent aanwezig op het portret van Ledger is de tweezijdige, gouden porte-crayon met aan de ene zijde een wit en aan de andere zijde een zwart stuk krijt. Meestal werd er ook nog een stuk papier geschilderd ten teken dat de geportretteerde kunstenaar was. Dat is bij het portret van Ledger niet het geval: op het porte-crayon na is er verder geen enkele aanduiding dat Ledger tekenaar zou zijn.

Thomas Beckwith (1731-1786), geboren nabij Leeds en opgeleid als huisschilder, werkte sinds 1758 in York als huis-, rijtuig- en kerkschilder. Hij vervaardigde ook uithangborden, wapenschilden, begrafenisvaandels en dergelijke. Daarnaast was hij portretschilder, hoewel hij op dat terrein autodidact was. Hauck portretteerde Beckwith in 1761 zittend achter zijn schildersezel. Achter Beckwith ligt een opengeslagen boek op tafel, waarin staat te lezen: ‘Tho Beckwith / Painter in York / Aetat 30 1761 / In˚ Maurice Hauck / Pinxt Febʳ. 19. 1761’. Door de vermelding ‘In˚’ werd de naam van Hauck ‘vertaald’ als Inigo Maurice Hauck, maar vermoedelijk betrof het de afkorting van inventor of invenit om aan te geven dat Hauck geen kopie van een eerder portret schilderde. Als ‘John Maurice Hauch [sic] Pinxit, 1761’ staat hij vermeld in Portraits of Yorkshire worthies uit 1868. In de in 1790 verkochte collectie van Beckwith bevond zich ook een portret van ‘Mr. Hauch [sic] by himself’ dat eveneens uit 1761 dateert. Het gegeven dat Haucks zelfportret zich in Beckwiths collectie bevond, duidt op een vriendschap.

Ergens rond 1761 keerde Hauck weer terug naar Londen. Daar was inmiddels naar analogie van de schilderijengalerij in het Foundling Hospital door een groep kunstenaars in 1760 een tentoonstelling van levende meesters geopend. Het leidde tot de oprichting van de Society of Artists of Great Britain. Ze wilde, naar analogie van de Parijse salons, dienen als ontmoetings- en expositiegelegenheid voor contemporaine kunstenaars. Bij oprichting telde ze 211 leden. Elke rechtgeaarde kunstenaar werd lid, wat betekende dat Londen in die tijd iets meer dan tweehonderd kunstenaars telde, waarbij men rekening moet houden dat daartoe ook graveurs, beeldhouwers, borduurwerkers, ivoor- en haarwerkers, emailleurs en wasmodellenmakers werden gerekend. In 1761 richtte een andere groep kunstenaars de Free Society of Artists op. Ook deze groep had als doel tentoonstellingen te houden met werk van levende meesters. Op hun eerste expositie in 1761 was ‘Mr. P.E. Hauck’ aanwezig met een schilderij van vier menselijke skeletten, ‘painted in one picture’. Het was de enige keer dat Hauck bij de Free Society zou exposeren. Eveneens in 1761 nam ‘HAUCK, Philip Elias, Painter’ deel aan de tweede tentoonstelling van de Society of Artists. Hij zond een zelfportret in. Het is goed mogelijk dat dit hetzelfde portret is, dat Beckwith in zijn collectie had. In de catalogus staat Hauck ook als ‘Mr. Hawck’ vermeld, waarschijnlijk omdat zijn karakteristieke signatuur ook gelezen kan worden als Hawk.

Zoals gebruikelijk diende de bijbehorende catalogus te worden aangeschaft, omdat ze tevens als entreebewijs gold. Door haar brede verspreiding gold ze als een ‘who-is-who’gids van de toenmalige Londense kunstwereld. Behalve de titel van het werk waren in veel gevallen ook de naam en het adres van de kunstenaar opgenomen. In geval een opdrachtgever interesse toonde, kon hij direct contact opnemen met de kunstenaar. Het adres van ‘Mr. Hawck’ werd echter in de uitgave van 1761 niet vermeld. Dat gold in die beginjaren voor meerdere kunstenaars, zoals ook voor Majer en Zoffany. Pas vanaf medio jaren zestig waren hun adresgegevens opgenomen. ‘Mr. Hawck’ nam nog drie maal deel aan de tentoonstellingen bij de Society of Artists, voor het laatst in 1767. Gezien de tijdsspanne waarin ‘Mr. Hawck’, Zoffany en Majer – grofweg tussen 1760 en 1769 – bij de Society of Artists exposeerden, lijkt het zeer waarschijnlijk dat ze elkaar er, zeker gezien hun Duitstalige achtergrond, moeten hebben ontmoet.

In 1765 werd voor het eerst een ledenlijst van de Society of Artists samengesteld. Daarop staat ook ‘Hauch [sic], P.E. ’ Op een ongedateerde ledenlijst, die op basis van verschillende gegevens te dateren is tussen eind mei 1772 en 29 april 1773 – de sluiting van de dertiende expositie en de opening van de veertiende – komt ‘Hauck, Philip Eli’ nog steeds als lid voor. Zijn naam gaat echter vergezeld van een kruisje. Dit kruisje betekende echter niet dat Hauck was overleden, maar dat hij na zijn verkiezing – kennelijk was het lidmaatschap aan ballotage onderhevig – nooit meer geëxposeerd had. Hauck was omstreeks 1772 dus nog lid van de Society of Artists, in tegenstelling tot Majer en Zoffany die niet meer op de lijst voorkomen. Ooit begonnen met 211 leden bestond de Society of Artists in 1773 nog uit 130 leden, van wie er 76 kunstschilder waren.

In 1768 werd onder bescherming van koning George III de Royal Academy opgericht, met Joshua Reynolds als president. De academie wilde enerzijds kunstenaars een professionele status geven en anderzijds dienen als expositieruimte voor contemporaine kunstenaars. Als voorbeeld voor de tentoonstellingen diende de Parijse Salon die eveneens onder Koninklijke bescherming en de bijbehorende academie opereerde. Majer en Zoffany behoorden tot de medeoprichters van de academie en schaarden zich daarmee onder de meer vooraanstaande en leidinggevende kunstenaars in Londen. Hauck komt bij de oprichters noch bij de latere leden voor.

Een van de vele kunstenaars, die zich in de jaren zestig aangetrokken voelden tot het Londense kunstklimaat is de al genoemde Duitse portretminiaturist Carl von Imhoff. Behalve als miniaturist werd hij ook een veelgevraagd kopiist van geschilderde portretten. Wilde hij als nieuwkomer een goede reputatie opbouwen, dan was een onderkomen in een goede buurt noodzakelijk, zo ondervond Von Imhoff. Eten, drinken en kleding achtte hij van minder belang dan wonen op stand. Hij huurde daarom een ruimte in het kunstenaarskwartier aan de Golden Square in Soho, waar ook Reynolds zijn atelier had. Hauck daarentegen woonde in eerste instantie nog niet op stand. In 1763 staat hij geregistreerd bij de bekende goudsmid en juwelier John Stamper, die van 1762 tot 1766 ‘At the Star, the Corner of Hind Court, opposite Water Lane in Fleet Street’ woonde. Nadat Stamper verhuisde, is Hauck kennelijk ook vertrokken, want in 1767 vinden we hem terug in The Strand bij een zekere Bowman. Een betere buurt is waarschijnlijk voor Hauck, net als voor Von Imhoff, een overweging geweest om The Strand, een belangrijke hoofdstraat die het oostelijke en westelijke deel van Londen met elkaar verbond, als verblijfplaats te kiezen.

Dankzij de briefwisseling die Von Imhoff voerde met zijn broers Friedrich Wilhelm en Julius Heinrich, die in dienst waren van vorst Ludwig Friedrich Carl zu Hohenlohe-Öhringen, is er meer bekend welke moeilijkheden nieuwkomers in Londen te wachten stonden. Voor Hauck zal dat niet anders zijn geweest. Een netwerk bleek onontbeerlijk voor het verwerven van opdrachten. Aangezien Von Imhoff – evenals waarschijnlijk Hauck – de functie van hofschilder ambieerde, bracht hij doelbewust bezoeken aan vooraanstaande hofschilders, zoals aan zijn succesvolle landgenoot Majer ‘der stärkste Miniaturmaler, dem ich jemals gesehen habe’. Op die manier kreeg Von Imhoff relaties met de beste en de meest gevraagde portretschilders in de stad. Om in Londen hofschilder te kunnen worden, was een aanbeveling van een hooggeplaatste persoon strikt noodzakelijk. Von Imhoff wist uiteindelijk via zijn broers een aanbevelingsbrief van Sophie Amalie Caroline Prinzessin zu Hohenlohe-Öhringen (1732-1799), de echtgenote van Ludwig Friedrich Carl, te bemachtigen. Het lijkt aannemelijk dat Hauck deze ‘koninklijke’ weg ook zal hebben bewandeld, gezien de positie van zijn halfbroer Johann Peter Friedrich aan het hof van Öhringen. Hoe Hauck ook zijn best zal hebben gedaan, in Londen wist hij het niet tot hofschilder te brengen. In de catalogi van de Society of Artists wordt hij niet aangeduid met ‘R.A.’ (Royal Artist) in tegenstelling tot zijn landgenoten Zoffany en Majer. Er bestaat een gravure naar een portret van koningin Charlotte die de signatuur M.P. Hauck draagt. Of het Philip Elias Hauck was die het portret vervaardigde, is onzeker, evenals het gegeven of het portret misschien een kopie naar Von Imhoff is geweest, die voor het vervaardigen ervan de hulp van J.P.F. Hauck in Heilbronn had ingeroepen. Overigens werd Von Imhoff in de catalogus van de Society of Artists evenmin als ‘R.A.’ vermeld. Diens Londense avontuur was namelijk van korte duur. Ruim een jaar na aankomst, eind 1768, meldde Von Imhoff zich bij de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Bezig zijnde met zijn vertrek verzocht hij zijn broers nog met nadruk ‘um eure Portraits […], in Öl, von dem Heilbronner’ te laten schilderen en naar hem te sturen. Een portret in olieverf laten vervaardigen was duur, maar door de woorden van Von Imhoff – ‘Ich verspreche, dem Wert doppelt zu ersetzen’ – moet dat voor de broers geen probleem zijn geweest. Of de ‘Heilbronner’ de beide broers portretteerde, is onbekend. Ook blijft de vraag onbeantwoord of Von Imhoff Philip Elias Hauck in Londen ontmoet heeft. Haucks laatste expositie bij de Society of Artists was in 1767 en toen moest Von Imhoff nog beginnen. Bovendien was Hauck geen hofschilder en daarmee geen interessante partij voor Von Imhoff. Daar kwam bij dat Von Imhoff anderhalf jaar na aankomst al weer vertrokken was, waarmee de vraag eerder negatief dan positief zal moeten worden beantwoord.

Philip Elias exposeerde tussen 1761 en 1767 in Londen en omstreeks 1772 was hij nog lid van de Society of Artists, wat niet wil zeggen dat hij toen in Londen woonde. Vast staat dat hij in 1762 in Londen trouwde en de stad in 1763 en in 1767 zijn verblijfplaats was. Ergens na 1767 moet Philip Elias Hauck een carrière in Londen voorgoed uit zijn hoofd hebben gezet. Net zoals zijn beide halfbroers in Frankfurt en Bazel was ook hij kennelijk gedwongen geweest zijn werkterrein te verleggen. In 1774 vinden we Hauck terug in Oxford. In de Oxford Journal liet Hauck op 2 juli 1774 in een kleine advertentie aan zijn cliënten weten dat hij binnen Oxford was verhuisd van het adres in Shiplane naar de Corn-Market, waar hij bij horlogemaker Denton zijn werkzaamheden als portretschilder voortzette. Hij vermeldde erbij dat hij portretten in allerlei grootte vervaardigde, zowel in ‘Oil, Crayons, or Black Lead’. In maart 1775 verscheen een grotere advertentie in de krant, waarin Hauck niet alleen aankondigde dat hij opnieuw verhuisplannen had, nu naar een verblijf tegenover het Trinity College bij de kleermaker Davenport, maar ook uitgebreider inging op zijn werkzaamheden. Niet zonder enige trots vermeldde Hauck dat hij het schilderen van goedgelijkende portretten voorzette ‘in Black Lead, as usual, in which Manner he has given general Satisfaction in this University.’ Er zijn nu nog twee portretjes bekend van een dame en een heer – volgens de achterzijde het echtpaar Campiony – van de hand van Hauck die hij uitvoerde in ‘black lead’. Ze bevinden zich in het British Museum. Behalve zijn signatuur – P. Hauck – en de datering 1774 voegde hij ook de locatie OXON toe, de in Engeland gebruikelijke afkorting voor Oxford. Volgens dezelfde advertentie kon men bij Hauck ook terecht voor olieverfportretten ten voeten uit, ten halven lijve, kniestuk en voor de zogeheten ‘kitcats’, portretten in het bijzondere formaat van 28/29 bij 36 inches (ca. 70 bij ca. 90 centimeter). Ook voor conversatiestukken was men bij hem, volgens de advertentie, aan het goede adres. Desgewenst kon het werk ook in krijt of in een ander materiaalsoort worden uitgevoerd. De portretten waaraan Hauck al was begonnen, kregen voorrang, aangezien hij maar tot eind juli op deze locatie zou verblijven.

Hoe lang Hauck in Oxford bleef is onbekend, maar op 2 september 1781 sloot de inmiddels 46-jarige Philip Elias Hauck in Claines (Worcestershire) – zo’n 100 kilometer van Oxford – voor de tweede keer een huwelijk, nu met Elisabeth Williams. Die dag werd tevens een kind van hem gedoopt dat een dag later zou overlijden. Lang kon Hauck niet met zijn tweede vrouw samen zijn. Een advertentie in The Chester Courant van 18 mei 1784 meldt dat in Chester ‘on Friday last after an ilness of a few Hours only, Mr. Hauck, an eminent Portrait Painter’ was overleden. ‘Mr. Hauck’, die dus op vrijdag 14 mei na een kortstondige ziekte stierf, staat synoniem voor ‘Philip Haucke portrait painter.’ Zo wordt hij namelijk vermeld in de kerkboeken van Chester.